ECLI:NL:RBDHA:2026:10186

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL26.19692
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublinverantwoordelijkheid Letland

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Asiel en Migratie op 7 april 2026 een besluit genomen om de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling te nemen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag volgens het Dublinverdrag. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening buiten zitting beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op hetzelfde moment een uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep, is de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.

Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 28 april 2026 door voorzieningenrechter M.L. Weerkamp en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds op het hoofdberoep heeft beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19692

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Letland daarvoor verantwoordelijk is.
Verzoeker heeft beroep (NL26.19691) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. In de uitspraak van vandaag in de zaak met nummer NL26.19691 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.