ECLI:NL:RBDHA:2026:10186
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublinverantwoordelijkheid Letland
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister van Asiel en Migratie op 7 april 2026 een besluit genomen om de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling te nemen, omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag volgens het Dublinverdrag. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening buiten zitting beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op hetzelfde moment een uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep, is de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 28 april 2026 door voorzieningenrechter M.L. Weerkamp en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank reeds op het hoofdberoep heeft beslist.