Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10197

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/09/690237 / KG ZA 25-826
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BWArt. 55 lid 1 RvArt. 24 Brussel-I-BisArtikel 10 Haags BetekeningsverdragArtikel 15 lid 1 Haags Betekeningsverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekvonnis inzake indeplaatsstelling vonnis notariële akte levering woning

Eiser, ex-echtgenoot van gedaagde, vordert dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg in het buitenland in de plaats treedt van de notariële akte die nodig is voor de levering van een woning in Nederland. Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek wordt gevraagd.

De voorzieningenrechter beoordeelt eerst de betekening van de dagvaarding in het buitenland aan gedaagde. Hoewel niet vaststaat of de dagvaarding via het parket in het buitenland is betekend, is voldoende gebleken dat gedaagde de dagvaarding per aangetekende post heeft ontvangen, conform het Haags Betekeningsverdrag. Daarom kan verstek worden verleend.

De primaire vordering wordt afgewezen omdat het buitenlandse vonnis niet is toegesneden om in de plaats te treden van de gehele notariële akte. De subsidiaire vordering, dat het vonnis in de plaats treedt van het deel van de akte waarin gedaagde haar wilsverklaring tot levering van de woning geeft, wordt toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verstek verleend en vonnis treedt in de plaats van het deel van de notariële akte waarin gedaagde de woning aan eiser levert.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/690237 / KG ZA 25-826
Vonnis in kort geding van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ( [land 1] )
eiser,
advocaat mr. S.A.A. Hendrickx te Den Haag,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats 2] ( [land 2] ),
gedaagde,
niet verschenen.
Eiser wordt hierna ‘ [eiser] ’ genoemd en gedaagde wordt hierna ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

./. 1.1. [eiser] heeft de dagvaarding overeenkomstig de aangehechte kopie aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie van de rechtbank Den Haag doen uitbrengen en ook heeft hij een kopie van de dagvaarding per aangetekende deurwaarderspost aan [gedaagde] toegestuurd. [eiser] heeft ter zitting van 8 april 2026 bij de in de dagvaarding opgenomen eis volhard.
1.2.
Gedaagde is opgeroepen tegen die terechtzitting, maar zij is daar niet verschenen.

2.De beoordeling

Over de betekening van de dagvaarding
2.1.
De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of de betekening en kennisgeving van de dagvaarding aan [gedaagde] op zodanige wijze is geschied dat de rechtbank thans verstek kan verlenen.
2.2.
In dit geval moet worden getoetst aan artikel 55 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken van 15 november 1965, Trb. 1969, 55 (hierna: het Haags Betekeningsverdrag). Zowel Nederland als [land 2] zijn partij bij dit verdrag.
2.3.
Artikel 15 lid 1 van Pro het Haags Betekeningsverdrag bepaalt dat wanneer een stuk dat het geding inleidt naar het buitenland moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, de rechter de beslissing aanhoudt totdat is gebleken dat:
hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming van de vormen in de wetgeving van de aangezochte Staat voorgeschreven voor de betekening of de kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en bestemd zijn voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen,
hetzij het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven op een andere in dit Verdrag geregelde wijze, en dat de betekening of de kennisgeving, onderscheidenlijk de afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.
2.4.
[eiser] heeft geen stuk overgelegd waaruit volgt dat de door hem aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie van de rechtbank Den Haag betekende dagvaarding in [land 2] aan [gedaagde] is betekend. [eiser] heeft een bericht van het Openbaar Ministerie van 3 april 2026 aan de advocaat van [eiser] overgelegd waarin is vermeld dat de dagvaarding wel is gestuurd richting [land 2] , maar dat niet bekend is of ook een ontvangstbevestiging terug is ontvangen vanuit [land 2] . Dit bericht is om twee redenen voor [eiser] teleurstellend. Allereest omdat betekening van de dagvaarding ruim voor de aangezegde zittingsdatum heeft plaatsgehad, en verder omdat deze dagvaarding al de tweede poging van [eiser] is geweest om [gedaagde] in kort geding te betrekken. Een eerdere op 3 september 2025 betekende dagvaarding is bij het parket abusievelijk kwijt geraakt, waarmee veel tijd verloren is gegaan. Wat daar ook van zij, [eiser] heeft de dagvaarding, naast de betekening aan het parket, ook overeenkomstig het gestelde in artikel 55 Rv Pro aangetekend laten versturen naar [gedaagde] . [eiser] heeft een brief van 17 december 2025 overgelegd van Van der Velde van Hal & Peers gerechtsdeurwaarders aan [gedaagde] (op haar adres te [woonplaats 2] ) waarin staat vermeld:
“Enclosed you can find a copy of a writ served on you today to the content of which I kindly refer you.
I trust that this information is sufficient for your purpose.”
Bij deze brief is een verzendbewijs gevoegd met daarop het adres van [gedaagde] en een barcode met daarbij het kenmerk: [kenmerk] . [eiser] heeft verder een e-mailbericht overgelegd van 6 januari 2026 van Gerechtsdeurwaarderskantoor Nassauplein B.V. aan Van der Velde van Hal & Peers gerechtsdeurwaarders waarin staat vermeld:
“Your shipment has been delivered.
Your shipment[kenmerk]has been delivered.
Mrs. [gedaagde]
[adres 1]
[woonplaats 2] [land 2] ”
2.5.
Hoewel dus niet vastgesteld kan worden of de door [eiser] aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie betekende dagvaarding [gedaagde] (inmiddels) heeft bereikt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat tegen [gedaagde] wel verstek verleend kan worden omdat (i) artikel 10 van Pro het Haags Betekeningsverdrag voorziet in de mogelijkheid van rechtstreekse toezending per post, (ii) [land 2] geen bezwaar heeft gemaakt tegen een kennisgeving als bedoeld in artikel 10 van Pro het Haags Betekeningsverdrag en (iii) voldoende is gebleken dat deze dagvaarding aan [gedaagde] is bezorgd en wel (iv) zo tijdig dat zij gelegenheid heeft gehad om verweer te voeren.
De vordering
2.6.
[eiser] en [gedaagde] zijn ex-echtelieden. [eiser] vordert in deze procedure dat de voorzieningenrechter in overeenstemming met artikel 3:300 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) bepaalt dat de uitspraak van 31 mei 2024 van de rechtbank van eerste aanleg nr.26 van [woonplaats 1] met besluitnummer 204/2024, in de plaats zal treden van de notariële akte die moet worden opgemaakt om de woning, staande en gelegen aan de [adres 2] in het Kadaster op naam van [eiser] te stellen, althans te bepalen dat het nog door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis in de plaats treedt van dat deel van de notariële akte waarin [gedaagde] verklaart de woning te leveren aan [eiser] en te bepalen dat de hiervoor bedoelde uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde] die tot de rechtshandeling gehouden is teneinde de eigendom van de woning, staande en gelegen aan de [adres 2] te leveren aan [eiser] middels een notariële akte en inschrijving daarvan in het Kadaster te bewerkstelligen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding.
Rechtsmacht
2.7.
Nu de vordering de levering van de in Nederland gelegen woning aan de [adres 2] betreft is de Nederlandse rechter op grond van artikel 24 Brussel Pro-I-Bis bevoegd kennis te nemen van de gevorderde tenuitvoerlegging van het vonnis.
Met betrekking tot het gevorderde
2.8.
[eiser] heeft een kopie van het originele vonnis van de rechtbank van eerste aanleg nr.26 van [woonplaats 1] overgelegd. Ook heeft hij daarvan een vertaling overgelegd. Blijkens het vonnis van 31 mei 2024 is in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap aan [eiser] toegedeeld de woning aan de [adres 2] , en ook de hypothecaire lening die op de woning rust. In de processtukken is beschreven dat [eiser] jarenlang heeft geprobeerd [gedaagde] te bewegen haar medewerking te verlenen aan het verdelen van de huwelijksgemeenschap, maar dat elke medewerking is uitgebleven en dat zij ook nergens op heeft gereageerd.
2.9.
Het primair gevorderde zal de voorzieningenrechter evenwel afwijzen, nu de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg nr. 26 van [woonplaats 1] met besluitnummer 204/2024 niet is toegesneden om in de plaats te treden van een notariële akte die moet worden opgemaakt om de woning in het Kadaster op naam van [eiser] te stellen. Het subsidiair gevorderde, dat erop neer komt dat het vonnis van de voorzieningenrechter in de plaats treedt van het deel van de notariële akte waaruit de wilsverklaring van [gedaagde] moet blijken om de woning aan [eiser] te leveren, komt de voorzieningenrechter noch onrechtmatig noch ongegrond voor en wordt daarom – op de wijze zoals hierna vermeld – toegewezen.
2.10.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter:
3.1.
verleent verstek tegen [gedaagde] ;
3.2.
bepaalt dat dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de notariële akte, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] dat zij de woning aan de [adres 2] levert aan [eiser] ;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
ddg