Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10200

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL26.13218
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit Proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning

Verzoeker diende bezwaar in tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond in een besluit van 9 maart 2026. Verzoeker stelde vervolgens beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening. De minister trok het bestreden besluit op 10 maart 2026 in, waarna verzoeker zowel het beroep als het verzoek om voorlopige voorziening introk en een proceskostenvergoeding vorderde.

De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening door het besluit in te trekken. Op grond van artikel 8:54 Awb Pro en het Besluit Proceskosten bestuursrecht werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen.

De rechtbank bepaalde de vergoeding op € 467,-, gebaseerd op een vast bedrag met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van de zaak en het feit dat verzoeker een professionele juridische hulpverlener had ingeschakeld. Er werden geen griffierechten vergoed omdat het beroep en de voorlopige voorziening snel werden ingetrokken.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 467,- na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.13218 & NL26.13220
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [verzoeker], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Bij besluit van 9 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaarschrift van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning opnieuw ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoeker heeft daarbij tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
De minister heeft verzoeker op 10 maart 2026 schriftelijk laten weten het bestreden besluit in te trekken. Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De minister heeft niet op dit verzoek gereageerd.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Als een indiener het beroep intrekt, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen aan diens beroepschrift, dan kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten van de indiener.1
1. Artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb, in samenhang met het Besluit Proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. De minister heeft het bestreden besluit immers ingetrokken.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen gronden van het beroep en het verzoek zijn ingediend en dat het verzoek om een voorlopige voorziening in het beroepschrift is opgenomen, waardoor verzoeker voor het indienen van dat verzoek niet een afzonderlijke proceshandeling heeft verricht. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroep-en verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn een dag na de indiening ingetrokken, waardoor de rechtbank geen griffierecht heeft kunnen innen. De minister is dan ook niet gehouden om op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.