ECLI:NL:RBDHA:2026:10200
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker diende bezwaar in tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond in een besluit van 9 maart 2026. Verzoeker stelde vervolgens beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening. De minister trok het bestreden besluit op 10 maart 2026 in, waarna verzoeker zowel het beroep als het verzoek om voorlopige voorziening introk en een proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening door het besluit in te trekken. Op grond van artikel 8:54 Awb Pro en het Besluit Proceskosten bestuursrecht werd het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen.
De rechtbank bepaalde de vergoeding op € 467,-, gebaseerd op een vast bedrag met een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van de zaak en het feit dat verzoeker een professionele juridische hulpverlener had ingeschakeld. Er werden geen griffierechten vergoed omdat het beroep en de voorlopige voorziening snel werden ingetrokken.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ter hoogte van € 467,- na intrekking van het bestreden besluit.