ECLI:NL:RBDHA:2026:1021

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/690252 / HA ZA 25-724
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsrechtelijke geschil over dekking na brand door verhuurbepaling in polisvoorwaarden

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiseres] en NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V. over de dekking van een woonhuisverzekering na een brand. [Eiseres] had een woonhuisverzekering afgesloten bij NN, maar de verzekeraar weigerde dekking voor de schade die was ontstaan door een brand in de schuur, omdat [eiseres] een chalet op haar terrein voor meer dan 60 dagen per jaar had verhuurd. NN beriep zich op de verhuurbepaling in de polisvoorwaarden, die stelt dat bij verhuur van de woning voor meer dan 60 dagen per kalenderjaar de dekking vervalt.

De rechtbank oordeelde dat het beroep van NN op de verhuurbepaling slaagde. [Eiseres] had de verhuur van het chalet niet gemeld aan NN, wat in strijd was met de polisvoorwaarden. De rechtbank benadrukte dat het de verzekeraar vrijstaat om voorwaarden te stellen aan de dekking en dat de verhuurbepaling duidelijk en ondubbelzinnig was. De rechtbank wees de vorderingen van [eiseres] af en veroordeelde haar in de proceskosten van NN, die op € 10.897 werden begroot. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/690252 / HA ZA 25-724
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat mr. G.A. de Boer te Dronten,
tegen
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.
te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: NN,
advocaat mr. E.A.L. van Emden te Den Haag.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Deze zaak gaat over de vraag of NN dekking moet verlenen op basis van de door [eiseres] bij NN afgesloten woonhuisverzekering.
1.2.
[eiseres] is van mening dat NN haar de schade die zij heeft geleden, als gevolg van brand in haar schuur, op grond van de woonhuisverzekering moet vergoeden. NN is het daar niet mee eens. De rechtbank oordeelt dat het beroep van NN op de verhuurbepaling in de polisvoorwaarden slaagt, omdat [eiseres] een bijgebouw voor meer dan 60 dagen per kalenderjaar heeft verhuurd. Daardoor is dekking onder de woonhuisverzekering vervallen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 9 juli 2025, met producties 1, 2 en 3;
- de conclusie van antwoord, met producties A tot en met G;
- de akte overlegging producties, met producties I, J en K, van NN.
2.2.
Op 16 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij waren partijen aanwezig c.q. vertegenwoordigd, bijgestaan door hun advocaat. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] is eigenaar van twee aan elkaar grenzende percelen, met daarop een vrijstaande woning, een schuur en een chalet, aan het [adres] .
3.2.
In 2010 heeft [eiseres] ten behoeve van de woning een woonhuisverzekering afgesloten bij NN, handelend onder de naam ING Verzekeringen. Deze verzekering biedt inboedel- en opstaldekking. Op de verzekeringsovereenkomst zijn de polisvoorwaarden Voorwaarden ING Woonverzekering Versie UIWV-03 (hierna: de polisvoorwaarden) van toepassing.
3.3.
Op het polisblad van 1 augustus 2024, behorend bij de woonhuisverzekering van [eiseres] , staat onder meer:

Gezinssamenstelling: Jezelf en kinderen
Gebruik van de woning: Eigen bewoning
3.4.
In de begrippenlijst (artikel 12 van de polisvoorwaarden) staat de volgende definitie van woning:

een (deel van een)gebouwdat bestemd is voor particuliere bewoning inclusiefbijgebouwen. Voor de opstalverzekering geldt dat ook de objecten op het terrein van dewoningzijn meeverzekerd zoals een zwembad, laadpalen en terreinafscheidingen. Het gaat hier omgebouwenen objecten die in de grond zijn gefundeerd of die niet zonder schade van jewoninglosgemaakt kunnen worden.
en is bijgebouw(en) als volgt gedefinieerd:

een losstaandgebouwop het eigen terrein dat bij jewoninghoort en dat alleen jij gebruikt. Bijvoorbeeld een schuur en een garage.
3.5.
In artikel 4.9 van de polisvoorwaarden (met betrekking tot de inboedelverzekering) en in artikel 6.11 van de polisvoorwaarden (met betrekking tot de opstalverzekering) is een verhuurbepaling opgenomen. Deze, voor zover relevant gelijkluidende, artikelen bepalen onder meer:

Als er sprake is van een bijzondere situatie, kan dat gevolgen hebben voor je verzekering. In de tabel “Bijzondere situaties” lees je wanneer dat zo is.
(…)
Hoe lang mag je maximaal je woning verhuren?
Je mag jewoningmaximaal 60 nachten per kalenderjaar verhuren. Bij schade moet je de verhuuradministratie tonen. Je bent na 60 overnachtingen in een kalenderjaar tijdens verhuur van (kamers in) jewoningniet meer verzekerd”.
3.6.
[eiseres] heeft het chalet per 1 april 2024, voor de duur van een jaar, verhuurd aan derden. [eiseres] heeft dit niet aan NN gemeld.
3.7.
Op 26 oktober 2024 is brand uitgebroken in de (vrijstaande) schuur op het terrein van [eiseres] . De schuur is volledig afgebrand. De schade aan, onder meer, inboedel en opstal is, zonder erkenning van uitkeringsverplichting, tussen partijen bindend vastgesteld op € 158.021.
3.8.
[eiseres] heeft aanspraak gemaakt op uitkering onder de woonhuisverzekering. Bij e-mailbericht van 28 november 2024 heeft NN aan [eiseres] laten weten dat verzekeringsdekking ontbreekt, onder meer omdat het chalet voor een periode van meer dan 60 dagen per kalenderjaar was verhuurd. Hierna volgde verdere correspondentie tussen [eiseres] en NN over de verzekeringsdekking. Partijen zijn het er niet over eens geworden of NN dekking moet verlenen.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. NN veroordeelt tot betaling van € 158.021, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf het moment van dagvaarding tot het moment van volledige betaling;
II. subsidiair: NN veroordeelt tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat;
III. NN veroordeelt in de proceskosten, waaronder het griffierecht en de kosten van rechtsbijstand.
4.2.
[eiseres] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat zij op grond van de afgesloten woonhuisverzekeringsovereenkomst recht heeft op vergoeding door NN van de door de brand veroorzaakte schade.
4.3.
NN voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.
4.4.
NN legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat er geen verzekeringsdekking is vanwege de verhuurbepaling in artikel 4.9 en artikel 6.11 van de polisvoorwaarden. Daarnaast ontbreekt dekking omdat de verhuur van het bijgebouw op grond van de polisvoorwaarden tijdig aan NN gemeld had moeten worden. Dat is niet gebeurd.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Kern van de zaak is of de verhuur van het chalet tot gevolg heeft dat de dekking op basis van de woonhuisverzekering is vervallen, waardoor [eiseres] de schade als gevolg van de brand in de schuur niet vergoed krijgt. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van NN op de verhuurbepaling in de polisvoorwaarden slaagt en licht dit als volgt toe.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het een verzekeraar vrij staat om grenzen te stellen aan de verzekeringsdekking (zie Hoge Raad 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435). Verder stelt de rechtbank voorop dat [eiseres] geen afzonderlijke verzekering heeft gesloten voor de schuur. De schuur valt, in beginsel, onder de door [eiseres] afgesloten woonhuisverzekering omdat schade aan (inboedel in) de
woningis verzekerd en
woningis gedefinieerd als “
een (deel van een) gebouw dat bestemd is voor particuliere bewoning inclusief bijgebouwen”(zie hiervoor onder 3.4). Voor het überhaupt bestaan van verzekeringsdekking is dus van belang dat het begrip
woningin de verzekeringsvoorwaarden zowel de (feitelijke) woning van [eiseres] , als de schuur en het chalet omvat.
5.3.
NN heeft in artikel 4.9 en artikel 6.11 van de polisvoorwaarden grenzen gesteld aan de verzekeringsdekking door te bepalen dat de dekking vervalt als de woning
of een gedeelte daarvanmeer dan 60 dagen per kalenderjaar wordt verhuurd (zie hiervoor onder 3.5). Nu het begrip
woningonder meer de bijgebouwen, waaronder het chalet, omvat moet worden vastgesteld dat [eiseres] de woning, in strijd met de polisvoorwaarden, meer dan 60 dagen gedeeltelijk heeft verhuurd. Op grond van de polisvoorwaarden is daarmee de verzekeringsdekking vervallen.
5.4.
Volgens [eiseres] mogen de artikelen 4.9 en 6.11 van de polisvoorwaarden niet zo worden uitgelegd dat dekking voor schade aan niet-verhuurde bijgebouwen (zoals in dit geval de schuur) vervalt als een ander bijgebouw (het chalet) meer dan 60 dagen verhuurd is. Hiervoor had een expliciete bepaling opgenomen moeten worden, aldus [eiseres] . Naar het oordeel van de rechtbank is de verhuurbepaling echter duidelijk en ondubbelzinnig: bij verhuur voor meer dan 60 dagen vervalt de dekking voor de gehele
woning, niet alleen voor het verhuurde gedeelte.
5.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] nog naar voren gebracht dat niet wordt voldaan aan het vereiste van causaliteit. Zo heeft het feit dat zij het chalet verhuurde niet het risico op brandschade verhoogd. [eiseres] verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:258 (Fjordenpaard-arrest), waaruit volgens [eiseres] volgt dat alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Het gevolg daarvan is dat NN geen beroep op de verhuurbepaling kan doen, want dat past niet binnen de eisen van de redelijkheid en billijkheid.
5.6.
NN heeft daar tegenover gesteld dat als [eiseres] had gemeld dat zij het chalet voor een jaar verhuurde, zij niet meer verzekerd zou zijn. Verhuur voor een periode langer dan 60 dagen kan namelijk niet onder deze polis, omdat NN verhuur van meer dan 60 dagen per kalenderjaar als commerciële activiteit ziet waarvoor een zakelijke opstalpolis nodig is. Verhuur op langere termijn heeft een commercieel aspect en daar hoort een ander risicoprofiel bij, aldus NN. Verder heeft NN er op gewezen dat [eiseres] zelf heeft verklaard dat de huurders mogelijk brand hebben gesticht in de schuur. Dat heeft zij tegen de politie en de onderzoeker gezegd. Ook heeft [eiseres] gezegd dat de huurders eerder al iets in brand hebben gestoken. Dat had [eiseres] ook moeten melden en dat heeft zij niet gedaan.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van NN op de verhuurbepaling, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, niet onaanvaardbaar is. [eiseres] heeft geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. De verhuurbepaling is een gebruikelijke bepaling en is duidelijk: na 60 overnachtingen in een kalenderjaar tijdens verhuur van (kamers in) je woning en bijgebouw ben je niet meer verzekerd. Dat geldt ook voor een bijgebouw zoals het chalet. NN heeft bovendien onweersproken gesteld dat in geval van verhuur voor een langere periode dan 60 dagen per kalenderjaar een zakelijke opstalpolis nodig is, omdat dan sprake is van commerciële verhuur. Indien [eiseres] de verhuur van het chalet zou hebben gemeld, zou NN de verzekering dus niet hebben voortgezet. Aan het voorgaande doet niet af dat [eiseres] het chalet heeft verhuurd om anderen (de huurders) behulpzaam te zijn en niet uit (puur) commercieel oogpunt, als door [eiseres] gesteld.
Slotsom en proceskosten
5.8.
Slotsom is dat de vordering wordt afgewezen. Bij deze stand van zaken behoeven de andere standpunten van partijen, zoals ten aanzien van het (niet) tijdig melden van de verhuur, waarop NN zich ook heeft beroepen, geen bespreking meer.
5.9.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NN worden begroot op:
- griffierecht € 6.861
- salaris advocaat € 3.858 (2 punten x tarief V à € 1.929)
- nakosten
€ 178(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 10.897
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van NN van € 10.897, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 92 extra aan nakosten betalen, plus de kosten van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening van de proceskosten;
6.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.type: 2339