Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10233

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL25.52803
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 15 KwalificatierichtlijnRichtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid problemen met Al-Shabaab en vestigingsalternatief Mogadishu

Eiser, een Somalische nationaliteit, diende op 9 november 2023 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 23 oktober 2025 af wegens ongeloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab.

Eiser voerde aan dat hij vanwege een toegedichte politieke overtuiging en individuele kwetsbaarheid niet veilig is in Mogadishu, waar Al-Shabaab volgens hem clandestien actief is. Hij verwees naar recente rapporten die een hoog geweldsniveau in Mogadishu bevestigen.

De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van eiser over de problemen met Al-Shabaab wisselend en ongerijmd waren, waardoor deze niet geloofwaardig zijn. Ook is niet aannemelijk dat eiser een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld in Mogadishu, mede omdat hij daar een sociaal netwerk heeft en tot een machtige clan behoort.

Daarom is het vestigingsalternatief Mogadishu terecht tegengeworpen en is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag afgewezen wegens ongeloofwaardigheid en vestigingsalternatief Mogadishu.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52803

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.O. Isibor).

Procesverloop

Met het besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, tolk [persoon] en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Somalische nationaliteit te hebben. Op 9 november 2023 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab acht verweerder niet geloofwaardig.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat zijn verklaringen summier, wisselend en/of ongerijmd zijn. De kern van zijn relaas is in alle verklaringen onveranderd gebleven. Ook stelt hij dat er sprake kan zijn van een toegedichte politieke overtuiging, nu Al-Shabaab hem verdacht van spionage voor de overheid. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte Mogadishu als vestigingsalternatief heeft tegengeworpen. In zijn zienswijze heeft eiser al gewezen op recente bronnen waaruit blijkt dat Al-Shabaab in Mogadishu frequent aanwezig is via clandestiene netwerken en daar burgers intimideert, afperst of vermoordt. Verweerder is hier onvoldoende op ingegaan in het bestreden besluit. Verder blijkt uit het EUAA-rapport Somalië van oktober 2025 [1] en de Nota Landenbeleid Somalië van 4 april 2025 dat in Mogadishu sprake is van een aanhoudend hoog geweldsniveau. Het EUAA-rapport is ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. Tot slot stelt eiser dat sprake is van individuele kwetsbaarheid omdat hij geen netwerk heeft in Mogadishu, hij afhankelijk is van een oom die hem niet langer kan ondersteunen, clanbinding geen opvang garandeert, en hij behoort tot de groep terugkeerders die vaak wordt gestigmatiseerd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Geloofwaardigheid van het relaas
4. Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft wisselende verklaringen afgelegd over de aanleiding voor de gestelde problemen. In het aanmeldgehoor heeft hij verklaard dat Al-Shabaab hem heeft benaderd en heeft gevraagd om zich bij hen aan te sluiten, nadat eiser dit geweigerd heeft zou hij zijn ontvoerd en mishandeld. [2] In het nader gehoor heeft hij echter verklaard dat Al-Shabaab hem meteen heeft meegenomen en mishandeld omdat ze hem verdachten van spionage. [3] Die verdenking heeft hij in het aanmeldgehoor niet genoemd. Voor wat betreft de verklaringen over de vrijlating door Al-Shabaab heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het stamhoofd ervoor heeft gezorgd dat eiser op basis van de enkele ontkenning van spionage en een mondelinge bereidverklaring om zich bij hen aan te sluiten zonder controle of waarborg door Al-Shabaab is vrijgelaten.
5. Omdat verweerder de gestelde problemen met Al-Shabaab niet ten onrechte ongeloofwaardig acht, is niet aannemelijk geworden dat eiser in de negatieve aandacht van Al-Shabaab staat. Daarom kan ook niet gevolgd worden dat eiser te vrezen heeft voor vervolging wegens een toegedichte politieke overtuiging. Van risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [4] bij terugkeer kan wegens het niet geloofwaardig geachte relaas evenmin sprake zijn.
Vestigingsalternatief Mogadishu
6. Volgens het beleid van verweerder zoals neergelegd in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc [5] kunnen drie gradaties van willekeurig geweld worden vastgesteld: een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, een relatief hoger niveau van willekeurig geweld of een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Als er sprake is van een relatief hoger niveau of een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dan is de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen. Bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zullen de door de vreemdeling naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden daarom meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. Dit beleid is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. [6]
7. Niet in geschil is dat er in Mogadishu geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld waardoor een ieder, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [7] Verweerder neemt volgens zijn landgebonden beleid voor de administratieve regio Benadir, inclusief de hoofdstad Mogadishu, aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. [8] Het EUAA-rapport waar eiser naar verwijst, geeft geen wezenlijk ander beeld van de algemene veiligheidssituatie in Somalië. In dat rapport wordt ten aanzien van Benadir/Mogadishu echter uitgegaan van een hoog niveau van willekeurig geweld
. [9] Ongeacht het niveau van willekeurig geweld waar van uit moet worden gegaan, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van individuele omstandigheden die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het geweld. Daarin is hij niet geslaagd. Daarbij is van belang dat de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn geacht. Daarmee is evenmin aannemelijk gemaakt dat de medische klachten van eiser het gevolg zijn van die problemen. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser in Mogadishu een oom heeft waar hij eerder hulp en opvang van heeft gehad en dat hij behoort tot de Abgaal-clan, volgens het Algemeen Ambtsbericht Somalië 2025 van de minister van Buitenlandse Zaken één van de meest machtige en dominante clanfamilies in Mogadishu. Het ontbreekt hem dan ook niet geheel aan een sociaal netwerk. Ook is niet gebleken dat eiser zich niet zelfstandig kan handhaven. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden bij terugkeer naar Mogadishu een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft dan ook terecht Mogadishu als vestigingsalternatief tegengeworpen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.European Union Agency for Asylum, Country Guidance: Somalia.
2.P. 15 van het verslag van het aanmeldgehoor.
3.P. 4 van het verslag van het nader gehoor.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Onder meer: het arrest van 9 november 2023 in de zaak X en Y tegen Nederland, ECLI:EU:C:2023:843.
7.Richtlijn 2011/95/EU.
8.Paragraaf C7/30.4.2 van de Vc.
9.P. 86 van het rapport.