Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10249

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/09/698047 / FA RK 26-553
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 RvArt. 824 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging voorlopige voorzieningen: minderjarige aan moeder toevertrouwd

Partijen zijn gehuwd en ouders van drie minderjarige kinderen. Op 11 december 2025 stelde de rechtbank voorlopige voorzieningen waarbij de vader de echtelijke woning exclusief mocht gebruiken en [minderjarige 2] aan hem werd toevertrouwd, terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 3] aan de moeder werden toevertrouwd. De moeder verzocht wijziging van deze voorzieningen, met name de toevertrouwing van [minderjarige 2] aan haar.

De rechtbank oordeelt dat de situatie is gewijzigd doordat de moeder binnenkort verhuist van crisisopvang naar reguliere vrouwenopvang, waar de kinderen regulier onderwijs kunnen volgen. De rechtbank verklaart het verzoek van de moeder ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] niet-ontvankelijk omdat die toevertrouwing ongewijzigd blijft.

De rechtbank wijzigt de voorlopige voorziening voor [minderjarige 2] en bepaalt dat zij aan de moeder wordt toevertrouwd zodra verblijf in de reguliere vrouwenopvang mogelijk is. Tot die tijd blijft [minderjarige 2] bij de vader met videobelcontacten met de moeder. Tevens worden afspraken gemaakt over wekelijkse informatievoorziening door de moeder aan de vader over de kinderen en wordt een traject omgangsbegeleiding gestart. Verzoeken van de vader tot contact met meerderjarige kinderen en tot schoolbezoek door de kinderen worden afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de voorlopige voorziening en bepaalt dat minderjarige [minderjarige 2] aan de moeder wordt toevertrouwd zodra zij in de reguliere vrouwenopvang verblijft, met afspraken over contact en informatievoorziening.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 26-553
Zaaknummer: C/09/698047
Datum beschikking: 23 maart 2026

Wijziging voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 16 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Devkinandan in Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Bhulai in Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 3 maart 2026, van de moeder;
  • het F9-formulier van 3 maart 2026, met bijlagen, van de moeder;
  • het verweerschrift;
  • het bericht van 5 maart 2026, van de moeder.
Op 9 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en tolk;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en tolk;
  • [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum 1] 2022.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ( [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ( [minderjarige 2] );
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2023 in [geboorteplaats 1] ( [minderjarige 3] ).
- Op 11 december 2025 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat:
- de vader bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke
woning te [plaats] , aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de moeder die woning verder niet mag betreden;
- [minderjarige 2] aan de vader wordt toevertrouwd;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 3] aan de moeder worden toevertrouwd.
Daarnaast is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren in de bodemprocedure.
  • De door de vader op 23 oktober 2025 aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure is bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/693518 / FA RK 25/8018.
  • De vader is ook de vader van twee andere meerderjarige kinderen, te weten:
- [meerderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 4] 2006 in [geboorteplaats 3] , [geboorteland] , en
- [meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 5] 2007 in [geboorteplaats 3] , [geboorteland] .

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de beschikking van deze rechtbank van 11 december 2025 te wijzigen, in die zin dat de rechtbank thans bepaalt – uitvoerbaar bij voorraad – dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de vrouw zullen worden toevertrouwd, kosten rechtens.
De vader concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] , en tot afwijzing van haar verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] . Hierbij verzoekt de man zelfstandig – uitvoerbaar bij voorraad – :
  • dat de moeder de vader wekelijks informeert over de ontwikkelingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] ;
  • dat er op korte termijn een begeleid contact gestart wordt van tenminste twee uren per
week, opdat de vader de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 3] kan zien en dat [minderjarige 2] , [meerderjarige 2] en [meerderjarige 1] , ook contact hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] ;
- de moeder te bevelen te bewerkstelligen dat de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 3] wederom naar school en hun behandelingen gaan.

Beoordeling

Bezwaar tegen late indiening verweerschrift met zelfstandig verzoek
De moeder heeft bezwaar gemaakt tegen de late indiening – in de avond op 4 maart 2026 – van het verweerschrift. Hierbij wijst zij op het procesreglement, waarin staat dat processtukken uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling moeten zijn ingediend.
De vader verzoekt aan het bezwaar van de moeder voorbij te gaan, nu er in de oproepbrief vermeld staat dat tot te aanvang van de zitting een verweerschrift ingediend kan worden. Daarnaast is het merendeel van de overgelegde stukken al ingediend in de eerste voorlopige voorzieningen procedure.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel het verweerschrift inderdaad buiten de in het procesreglement opgenomen termijn is ingediend, acht de rechtbank het in deze voorlopige voorzieningenprocedure in strijd met de beginselen van de goede procesorde om de stukken buiten beschouwing te laten. Immers, de verzoeken zien op minderjarige kinderen en de rechtbank dient zo goed mogelijk te worden geïnformeerd om een beslissing in het belang van de kinderen te kunnen nemen. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat tijdens de zitting is gebleken dat de moeder en haar advocaat wel kennis hebben genomen van het verweerschrift en de tijd hebben gehad om zich voor te bereiden. De rechtbank zal daarom het verweerschrift van de vader niet buiten beschouwing laten.
Ontvankelijkheid (wijziging voorlopige voorzieningen)
Op grond van artikel 824, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken als de omstandigheden na het geven van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven.
De rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 3] toevertrouwd aan de moeder en [minderjarige 2] aan de vader. Deze voorziening is getroffen in de situatie dat de moeder – samen met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] – in de crisisopvang verbleef. Op die plek is het niet mogelijk voor [minderjarige 1] en [minderjarige 3] om naar school te gaan en in plaats daarvan krijgen zij daar twee keer per week schoolactiviteiten. Ter zitting is gebleken dat de moeder nog steeds in een tijdelijke crisisopvang verblijft, maar dat deze situatie op korte termijn zal wijzigen, in die zin dat zij binnenkort naar de reguliere vrouwenopvang gaat. Hier zal de moeder verblijven in afwachting van eigen woonruimte. Ter zitting heeft de moeder uitgelegd dat zij hier meer faciliteiten tot haar beschikking zal hebben, waaronder de mogelijkheid voor de kinderen om regulier schoolonderwijs te volgen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het gegeven dat de moeder binnenkort naar de reguliere opvang verhuist, een gewijzigde omstandigheid worden aangenomen. De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in de over en weer gedane verzoeken en zal hierna inhoudelijk beoordelen of er sprake is van een wijziging van omstandigheid die van dien aard is dat zij tot wijziging van de voorlopige voorziening zou moeten leiden.
Inhoudelijke beoordeling
Toevertrouwing kinderen
Niet in geschil is dat de beschikking van 11 december 2025 in stand kan blijven ten aanzien van de toevertrouwing van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] aan de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] daarom niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit verzoek geen wijziging betreft ten aanzien van de vorige beschikking.
In geschil is of de voorlopige voorziening ten aanzien van de toevertrouwing van [minderjarige 2] aan de vader moet worden gewijzigd.
De moeder stelt dat het toevertrouwen van [minderjarige 2] aan de man niet in haar belang is (geweest). De afgelopen periode heeft de vader het fysiek contact tussen [minderjarige 2] en de moeder belemmerd en ook heeft [minderjarige 2] geen contact gehad met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . De moeder vindt het zorgelijk dat de kinderen los van elkaar opgroeien. Daarnaast voert de moeder aan dat de vader en zijn meerderjarige kinderen gedurende de relatie stelselmatig huiselijk geweld gepleegd hebben jegens de moeder. Op [datum 2] 2025 heeft zich een incident voorgedaan, waarvan de moeder aangifte heeft gedaan. Gelet hierop wil de moeder de veiligheid van [minderjarige 2] waarborgen en [minderjarige 2] toevertrouwd hebben.
De vader voert verweer en stelt op zijn beurt dat het in het belang van [minderjarige 2] is om haar bij hem te laten. Hij voert daartoe – verkort weergegeven – aan dat [minderjarige 2] rust en structuur bij hem heeft, naar school gaat en de benodigde behandelingen volgt, waarvan de vader twijfelt of de moeder dit in de vrouwenopvang ook kan bieden. De vader betwist dat er sprake is geweest van huiselijk geweld.
De rechtbank overweegt als volgt. In deze procedure kan de rechtbank niet vaststellen wat er zich op [datum 2] 2025 heeft afgespeeld en evenmin of er tijdens de relatie sprake is geweest van huiselijk geweld. Met deze gestelde omstandigheden zal daarom geen rekening worden gehouden bij de beoordeling of het in het belang van [minderjarige 2] is om aan de moeder te worden toevertrouwd. De Raad heeft op zitting benoemd dat het in beginsel (pedagogische) uitgangspunt is dat broertjes en zusjes zoveel mogelijk bij elkaar worden gehouden, tenzij dit niet in het belang van een kind wordt geacht. Zonder daarbij overigens expliciet te adviseren dat [minderjarige 2] aan haar moeder moet worden toevertrouwd.
Het door de Raad benoemende uitgangspunt is ook verankerd in het onderzoek ‘Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties’ van [naam 2] . Dit onderzoek heeft weliswaar betrekking heeft op kinderen die uit huis geplaatst worden, maar hierbij komt nadrukkelijk het algemeen uitgangspunt naar voren komt dat zusjes en broertjes zoveel mogelijk bij elkaar dienen te blijven. De rechtbank is ook in deze situatie van oordeel dat het belangrijk is voor [minderjarige 2] dat zij weer wordt herenigd met haar zus en broertje. Wel is de rechtbank het met de vader eens dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat zij haar reguliere schoolgang blijft voortzetten. Op de zitting is duidelijk geworden dat dit zou kunnen zodra er een plek beschikbaar is voor de moeder met de kinderen in de reguliere vrouwenopvang. Gelet hierop zal de rechtbank de voorlopige voorziening wijzigen in die zin dat [minderjarige 2] aan de moeder zal worden toevertrouwd vanaf het moment dat zij – met de kinderen – in de reguliere vrouwenopvang kan verblijven.
Zorgregeling
Partijen zijn het er over eens dat het contact tussen de man en de kinderen zo spoedig mogelijk – onder begeleiding – dient te worden hervat. Ter zitting is gesproken over de mogelijkheden om dit te realiseren. Momenteel verblijft de moeder nog in de crisisopvang, waar geen begeleide omgang wordt gefaciliteerd. In een reguliere opvanglocatie is dit wel weer mogelijk. Er is afgesproken dat de man en de kinderen vanaf diezelfde middag voorlopig tweemaal per week met elkaar videobellen, waarbij het contact verloopt via de contactpersoon van de vrouwenopvang van de moeder. Nu de rechtbank [minderjarige 2] aan de moeder zal toevertrouwen vanaf het moment dat zij – met de kinderen – in de reguliere vrouwenopvang kan verblijven, zal tot dat moment hetzelfde videobelcontact ook andersom plaatsvinden. Dit houdt in dat de moeder tot die tijd eveneens tweemaal per week videobelcontact zal hebben met [minderjarige 2] .
Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject omgangsbegeleiding. De rechtbank zal de ouders en de kinderen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject, in de reeds aanhangige bodemprocedure met zaaknummer C/09/693518 / FA RK 25-8018. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.
De vader verzoekt de rechtbank ook om het contact tussen zijn twee eigen meerderjarige kinderen, [meerderjarige 1] en [meerderjarige 2] , en [minderjarige 1] en [minderjarige 3] tot stand te brengen. [meerderjarige 1] en [meerderjarige 2] zijn geen partij in deze procedure. Nu zij meerderjarig zijn, dienen zij zelf – indien zij dat wensen – een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling te dienen. De vader kan een dergelijk verzoek niet namens hen doen. Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van het contact tussen [meerderjarige 2] en [meerderjarige 1] en [minderjarige 1] en [minderjarige 3] afwijzen.
Informatieregeling
Op de zitting heeft de moeder ingestemd met het verzoek van de vader om hem voorlopig wekelijks te informeren over de ontwikkelingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . De rechtbank zal dit verzoek toewijzen.
Nu de rechtbank [minderjarige 2] aan de moeder zal toevertrouwen vanaf het moment dat zij in de reguliere vrouwenopvang verblijft, gaat de rechtbank ervan uit dat de moeder de vader vanaf dat moment ook wekelijks zal informeren over de ontwikkelingen ten aanzien van [minderjarige 2] . Dit kan niet worden vastgesteld in het dictum van de beschikking, nu het verzoek van de vader geen betrekking heeft op [minderjarige 2] .
Bevel moeder tot bewerkstelligen schoolgang en behandelingen [minderjarige 1] en [minderjarige 3]
De vader verzoekt de moeder te bevelen te bewerkstelligen dat de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 3] wederom naar school en hun behandelingen gaan. De rechtbank overweegt dat dit verzoek niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 822 Rv Pro en zal daarom de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 11 december 2025– :
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] , aan de moeder wordt toevertrouwd vanaf het moment dat de moeder met de kinderen in de reguliere vrouwenopvang terecht kan;
*
bepaalt dat de moeder de vader wekelijks informeert over de ontwikkelingen van de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2023 in [geboorteplaats 1] ;
*
bepaalt dat er voorlopig twee keer per week videobelcontact plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 3] en tussen de moeder en [minderjarige 2] , totdat [minderjarige 2] aan de moeder wordt toevertrouwd, waarna er ook twee keer per week videobelcontact plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige 2] , waarbij het contact verloopt via de contactpersoon van de vrouwenopvang van de moeder;
*
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
*
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toevertrouwing van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] ;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de moeder]
(de moeder),
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
en
[de vader]
(de vader),
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
bepaalt dat partijen de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/693518 / FA RK 25-8018 (tussentijds) informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/693518 / FA RK 25-8018 omtrent het verloop van voornoemd traject met kopie aan beide ouders daarvan;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 maart 2026.