De rechtbank Den Haag behandelde op 19 maart 2026 het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2016, die bij hun moeder wonen. De moeder heeft het ouderlijk gezag en de kinderen zijn erkend door de vader. De ondertoezichtstelling was eerder vastgesteld tot 31 maart 2026.
De gecertificeerde instelling motiveerde het verzoek met het belang van het waarborgen van de basisveiligheid, het monitoren van de ontwikkeling van de kinderen en het verbeteren van het vertrouwen van de moeder. Hoewel er stabiliteit is, zijn traumaverwerking, versterking van de opvoedvaardigheden van de moeder en het creëren van voorwaarden voor omgang met de vader nog niet gerealiseerd. De kinderen hebben nog geen ruimte om contactherstel met de vader op te pakken, maar uitten een voorzichtige wens dit in de toekomst te doen.
De vader stemde in met de verlenging en benadrukte het belang van hulpverlening en contactherstel, ondanks zijn onzekerheden over zijn verblijfsstatus. De kinderrechter constateerde een ernstige ontwikkelingsbedreiging, met klachten zoals bedplassen, stotteren en terugtrekgedrag bij de kinderen. De hulpverleningstrajecten starten binnenkort en de gecertificeerde instelling blijft betrokken om de kinderen en moeder te ondersteunen.
De kinderrechter besloot de ondertoezichtstelling te verlengen tot 31 maart 2027 en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De beslissing werd mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken, met mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.