ECLI:NL:RBDHA:2026:1026

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
NL26.389
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke zaak betreffende bewaring van vreemdeling

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over de bewaring van een vreemdeling. Verzoeker, met een V-nummer, heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin aan hem de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 13 januari 2026 is verzoeker overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland, waardoor de bewaring feitelijk is opgeheven. Verzoeker heeft op dezelfde dag zijn beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank heeft verweerder, de minister, in de gelegenheid gesteld om op het verzoek om proceskostenvergoeding te reageren. Verweerder heeft op 16 januari 2026 laten weten zich te verzetten tegen een proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft vervolgens zonder zitting uitspraak gedaan op het verzoek om proceskostenvergoeding.

De rechtbank overweegt dat, volgens de wet, als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de indiener, de bestuursrechter kan besluiten tot proceskostenvergoeding. In dit geval is de bewaring opgeheven vanwege de overdracht naar Duitsland en niet omdat het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de beroepsgronden van verzoeker. De rechtbank concludeert dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling, omdat verzoeker niet heeft gemotiveerd waarom dit wel zou moeten. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt dan ook afgewezen als kennelijk ongegrond. De uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en is openbaar gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.389

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 4 januari 2026, waarin verweerder aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) heeft opgelegd.
Verzoeker is op 13 januari 2026 overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland. De bewaring is op die dag dus (feitelijk) opgeheven.
Verzoeker heeft op 13 januari 2026 het beroep ingetrokken, met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om op dat verzoek te reageren.
Verweerder heeft de rechtbank op 16 januari 2026 bericht dat hij zich verzet tegen een proceskostenveroordeling.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Overwegingen

1. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2] De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat de bewaring is opgeheven vanwege de overdracht van verzoeker naar Duitsland en niet ter tegemoetkoming aan (de beroepsgronden van) verzoeker. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom geen sprake van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Verzoeker heeft ook niet gemotiveerd waarom er in deze zaak aanleiding zou zijn voor een proceskostenveroordeling. Er bestaat dus geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
2. Het verzoek wordt daarom afgewezen als kennelijk ongegrond.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).