Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr.B.C.M. Burger, griffier.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over de bewaring van een vreemdeling. Verzoeker, met een V-nummer, heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin aan hem de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 13 januari 2026 is verzoeker overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland, waardoor de bewaring feitelijk is opgeheven. Verzoeker heeft op dezelfde dag zijn beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder, de minister, in de gelegenheid gesteld om op het verzoek om proceskostenvergoeding te reageren. Verweerder heeft op 16 januari 2026 laten weten zich te verzetten tegen een proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft vervolgens zonder zitting uitspraak gedaan op het verzoek om proceskostenvergoeding.
De rechtbank overweegt dat, volgens de wet, als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de indiener, de bestuursrechter kan besluiten tot proceskostenvergoeding. In dit geval is de bewaring opgeheven vanwege de overdracht naar Duitsland en niet omdat het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de beroepsgronden van verzoeker. De rechtbank concludeert dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling, omdat verzoeker niet heeft gemotiveerd waarom dit wel zou moeten. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt dan ook afgewezen als kennelijk ongegrond. De uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en is openbaar gemaakt.