ECLI:NL:RBDHA:2026:10272
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na overlijden referent verblijfsvergunning
Eiser diende op 1 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij een referent. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 31 mei 2024 af. Eiser stelde bezwaar in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen. Na het overlijden van de referent op 14 maart 2025 verklaarde de minister het bezwaar kennelijk ongegrond wegens het ontbreken van procesbelang.
Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg opnieuw om een voorlopige voorziening. De rechtbank behandelde het beroep en de verzoeken op 15 april 2026. De rechtbank wees het verzoek om griffierechtvrijstelling toe en nam kennis van de intrekking van een van de voorlopige voorzieningen door eiser.
De rechtbank oordeelde dat het overlijden van de referent het procesbelang van eiser heeft weggenomen, omdat het doel van de verblijfsvergunning – verblijf bij de referent – niet meer kan worden gerealiseerd. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na het overlijden van de referent.