Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL24.49452
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 VwArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing mvv-aanvraag voor verblijf als familie- of gezinslid gegrond verklaard

Eisers, ouders en broer van de referent, voerden beroep aan tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf als familie- of gezinslid. De minister had de aanvraag afgewezen omdat er volgens hem geen beschermenswaardig gezinsleven bestond tussen referent en eisers, mede omdat referent niet als jongvolwassene werd aangemerkt en zelfstandig in zijn onderhoud voorzag.

De rechtbank oordeelde dat de minister het standpunt dat referent niet noodgedwongen gescheiden was van eisers niet deugdelijk had gemotiveerd. Referent was noodgedwongen gevlucht en had een langdurige asielprocedure doorlopen, waarbij de minister tweemaal werd teruggefloten. Ook was onvoldoende onderbouwd dat referent vóór zijn komst naar Nederland zelfstandig in zijn onderhoud voorzag, aangezien hij als minderjarige werkte in Iran en het gezin illegaal verbleef.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.49452
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]
[v-nummer 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1961,

[eiser 2] , geboren op [geboortedag 2] 1972,

[eiser 3] , geboren op [geboortedag 3] 2003,

allen van Afghaanse nationaliteit,
hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf als familie- of gezinslid.
1.1.
Met het primaire besluit van 26 januari 2023 heeft de minister de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de minister de aanvragen voor een mvv op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Op 16 juni 2022 heeft [referent] (hierna: referent) een aanvraag ingediend voor een mvv voor eisers. Eisers zijn de ouders en broer van referent. Zij zijn afkomstig uit Afghanistan. Referent is geboren op [geboortedag 4] 1996. Rond het jaar 2000 zijn eisers en referent naar Iran verhuisd. In 2015 zijn zij teruggekeerd naar Afghanistan. Eind 2015 is referent uit Afghanistan vertrokken. Referent heeft op 7 december 2015 asiel aangevraagd in Nederland. Op 16 maart 2022 is aan referent asiel verleend. Eisers wonen sinds 2018 weer in Iran.
Besluitvorming
5. Met het primaire besluit heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat het gezinsleven tussen referent en eisers niet aannemelijk is gemaakt. Er is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referent en eisers. Ook valt de belangenafweging in het nadeel van referent en eisers uit.
6. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De minister heeft het standpunt gehandhaafd dat er tussen referent en eisers geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. De minister heeft in het bestreden besluit getoetst aan het jongvolwassenenbeleid. De minister heeft geconcludeerd dat referent niet als jongvolwassene kan worden aangemerkt omdat hij stappen heeft gezet in het zelfstandig opbouwen van zijn leven. Referent is niet meer afhankelijk van zijn ouders. Ten tijde van de aanvraag was referent 26 jaar oud en woonde hij al zeven jaar niet meer met eisers. Ten tijde van het bestreden besluit is hij 28 jaar oud. Referent werkte in Iran van 2010 tot 2015 in een stoffenwinkel en voorzag dus al in zijn eigen onderhoud vóór zijn komst naar Nederland. Ook in Nederland voorziet hij in zijn eigen onderhoud en is hij niet financieel afhankelijk van zijn ouders.
6.1.
Verder heeft de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eisers. In dit kader heeft de minister eveneens tegengeworpen dat referent en eisers al meer dan zeven jaar niet meer samenwonen. De minister vindt dat referent zelfstandig afstand heeft gedaan van samenwoning met zijn gezinsleden en niet noodgedwongen zijn land heeft verlaten, omdat zijn asielrelaas niet geloofwaardig is geacht. Aan referent is géén verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van vluchtelingschap (artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] ), maar op grond van subsidiaire bescherming (artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw).
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat referent niet noodgedwongen is gescheiden van eisers?
7. Eisers voeren aan dat de minister bij de beoordeling in het kader van het jongvolwassenenbeleid onvoldoende heeft betrokken dat referent noodgedwongen is gescheiden van eisers. Referent was net negentien jaar oud toen hij moest vluchten. Zijn asielprocedure heeft zeven jaar geduurd, waardoor hij pas op zijn 26e onderhavige aanvragen kon indienen. De minister werpt ten onrechte tegen dat referent zijn asielrelaas nooit geloofwaardig heeft kunnen maken en dat daarom niet wordt gevolgd dat zijn vertrek noodgedwongen was. De rechtbank heeft de besluitvorming van de minister gedurende de asielprocedure tweemaal vernietigd. Uiteindelijk is aan referent een asielstatus verleend. De minister heeft dus erkend dat referent bescherming nodig heeft. Wat referent wel of niet aannemelijk heeft kunnen maken, is in dat verband niet relevant. Referent heeft bovendien niet kunnen doorprocederen over het type asielstatus dat hij heeft gekregen.
8. De minister stelt zich op het standpunt dat hij referent in het bestreden besluit terecht niet als jongvolwassene heeft aangemerkt. Bij de beoordeling is relevant of iemand vrijwillig heeft gekozen om uit huis te gaan. De minister volgt niet dat referent noodgedwongen uit huis is gegaan. De redenen die referent heeft gegeven om zijn land te verlaten, hebben geen rol gespeeld bij de verlening van de asielstatus. Referent heeft namelijk een asielvergunning als subsidiair beschermde gekregen.
9. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 29 mei 2024 [3] volgt dat naast de omstandigheden die de minister betrekt bij de beoordeling van de vier cumulatieve vereisten uit het jongvolwassenenbeleid, ook overige omstandigheden van belang kunnen zijn in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). De minister kan ook contra-indicaties tegenwerpen. Dit zijn omstandigheden van na het vertrek van referent uit zijn land van herkomst die erop wijzen dat geen of niet langer familie- of gezinsleven bestaat indien zich geen bijkomende elementen van afhankelijkheid voordoen. De minister mag een contra-indicatie niet tegenwerpen als die contra-indicatie alleen het gevolg is van een vluchtsituatie. Als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, door bijvoorbeeld een vluchtsituatie, mag de minister dit alleen tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Van 'zich zelfstandig en moeiteloos kunnen handhaven' is sprake als het meerderjarige kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven. Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind alleen noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat referent niet noodgedwongen gescheiden is van eisers, niet deugdelijk is gemotiveerd. Nadat referent Afghanistan heeft verlaten, is hij direct naar Nederland gekomen en heeft hij asiel aangevraagd. Tussendoor heeft hij nergens anders gewoond zonder eisers. Na een lange asielprocedure, waarbij de besluitvorming van de minister twee keer is vernietigd, heeft de minister aan referent subsidiaire bescherming verleend. Referent kon niet doorprocederen over het type asielstatus. De rechtbank ziet niet in waarom de minister onder deze omstandigheden het vertrek van referent uit Afghanistan niet als noodgedwongen heeft aangemerkt. De rechtbank betrekt daarbij dat de minister zich in het primaire besluit op het standpunt heeft gesteld dat de scheiding van referent en eisers ‘niet vrijwillig’ is, ‘mede vanwege het vluchten voor de omstandigheden van de oorlog in het land van herkomst.’ [4] De minister heeft op de zitting gesteld dat dit standpunt in het bestreden besluit is verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom dit standpunt is verlaten.
9.2.
De beroepsgrond slaagt.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat referent vóór zijn komst naar Nederland al in zijn eigen onderhoud voorzag?
10. Eisers voeren aan dat de minister de financiële afhankelijkheid ten onrechte heeft betrokken in de beoordeling, terwijl dit geen relevant aspect is. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2024 [5] ten onrechte geconcludeerd dat de voorwaarde van financiële afhankelijkheid gesteld kan worden, terwijl uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een diffuus beeld oprees, met zaken waarin het inkomen van het meerderjarige kind soms wel en soms niet relevant was. In het geval van referent was het werken in Iran helemaal geen keuze, maar noodzaak voor het gezin. Het gezin verbleef als vluchteling illegaal in Iran en referent moest als minderjarige werken. Het inkomen was voor het gezin. Dit kan dan ook niet worden tegengeworpen als indicatie dat referent niet meer bij het gezin zou horen.
11. De minister stelt zich op het standpunt dat elke vorm van werk een stap is naar zelfstandigheid. Dat referent in Iran werkte, is dan ook een relevante omstandigheid die de minister heeft mogen betrekken in de beoordeling.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt dat referent vóór zijn komst naar Nederland al in zijn eigen onderhoud voorzag, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Referent heeft tijdens het eerste gehoor van zijn asielprocedure verklaard dat hij van 2010 tot en met 2015 als verkoper in een stoffenwinkel in Iran werkte. [6] De minister heeft op de zitting erkend dat enkel op basis van deze verklaring is geconcludeerd dat referent in Iran al in zijn eigen onderhoud voorzag. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze conclusie niet enkel op deze verklaring heeft mogen baseren. Zo blijkt uit de verklaring niet hoe vaak referent in de winkel werkte, hoeveel geld hij verdiende en wat hij met het geld deed. In het gehoor is daar niet op doorgevraagd. Bovendien heeft de minister niet in de beoordeling betrokken dat referent grotendeels minderjarig was toen hij in Iran werkte en dat zijn gezin illegaal in Iran verbleef. Het standpunt van de minister dat referent in Iran al voorzag in zijn eigen onderhoud ontbeert dan ook een deugdelijke motivering.
12.1.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel [7] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
14. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. [8] De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 1). De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers; en
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.ECLI:NL:RVS:2024:2145, overweging 8.7.
4.Besluit van 26 januari 2023, pagina 4.
5.ECLI:NL:RVS:2024:2145, overweging 8.6.
6.Eerste gehoor, 5 augustus 2016, pagina 9.
7.Neergelegd in artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
8.Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.