ECLI:NL:RBDHA:2026:1029

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
09/252464-25, 09/284465-25, 09/179860-25, 09/072175-24 (ttz. gev.) en 13/381115-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meerdere vermogensdelicten, vernielingen, een verkeersdelict en een mishandeling

Op 19 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernielingen, een verkeersdelict en mishandeling. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en onder bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een zorginstelling en ambulante behandeling. De zaak betreft een reeks van delicten, waaronder woninginbraken, diefstal van een fatbike, brandstofdiefstal, en mishandeling van de levensgezel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze feiten en heeft de vordering van de officier van justitie grotendeels toegewezen. De rechtbank heeft ook de vorderingen van benadeelde partijen beoordeeld en gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot schadevergoeding. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten, maar de bewezenverklaring van de overige feiten is als wettig en overtuigend beschouwd. De rechtbank heeft de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in haar overwegingen meegenomen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/252464-25, 09/284465-25, 09/179860-25, 09/072175-24 (ttz. gev.) en 13/381115-25 (tul)
Datum uitspraak: 19 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.J.M. van Roy naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:
onder parketnummer 09-252464-25 (hierna: dagvaarding I)
  • (1) een woninginbraak gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in de periode van 23 tot en met 24 september 2025 te Roelofarendsveen, subsidiair opzetheling;
  • (2) diefstal met gebruik van valse sleutel op 24 september 2025;
onder parketnummer 09-284465-25 (hierna: dagvaarding II)
  • (1) poging tot diefstal van een fatbike op 1 augustus 2025 te Voorhout;
  • (2) diefstal van een fatbike op 1 augustus 2025 te Voorhout;
onder parketnummer 09-179860-25 (hierna: dagvaarding III)
  • (1) diefstal van benzine op 10 juni 2025 te Oude Ade;
  • (2) witwassen van een auto in de periode van 13 tot en met 14 januari 2025 te Rijpwetering;
  • (3) rijden met ongeldig verklaard rijbewijs op 10 juni 2025 te Rijpwetering;
onder parketnummer 09-072175-24 (hierna: dagvaarding IV)
  • (1) diefstal van goederen in een boot in de periode van 27 september 2023 tot en met 1 oktober 2023 te Hazerswoude-Dorp, subsidiair vernieling;
  • (2) mishandeling van een levensgezel op 19 september 2023 te Boskoop;
  • (3) vernieling op 19 september 2023 te Boskoop;
  • (4) mishandeling van een levensgezel op 30 september 2023 te Boskoop;
  • (5) vernieling op 30 september 2023 te Boskoop.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:
  • vrijspraak van feiten 1 primair, 2 en 4 op dagvaarding IV;
  • bewezenverklaring van feiten 1 primair en 2 op dagvaarding I, feiten 1 en 2 op dagvaarding II, feiten 1, 2 en 3 op dagvaarding III en feiten 1 subsidiair, 3 en 5 op dagvaarding IV.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feiten 2 en 3 op dagvaarding III en feiten 1 primair, 2 en 4 op dagvaarding IV. Ten aanzien van de overige feiten heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat feiten 1 primair en 4 op dagvaarding IV niet wettig en overtuigend zijn bewezen en zal de verdachte dan ook hiervan vrijspreken.
Ten aanzien van feit 1 primair op dagvaarding IV overweegt de rechtbank dat uit het dossier en de verklaring van de verdachte blijkt dat de verdachte aanwezig is geweest op en in de boot van de aangever, maar niet dat de verdachte enig goed uit de boot heeft weggenomen.
Ten aanzien van feit 4 op dagvaarding IV is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht daarmee niet wettig en overtuigend dat de verdachte dit feit heeft begaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1 primair en 2 op dagvaarding I, feiten 1 en 2 op dagvaarding II, feiten 1, 2 en 3 op dagvaarding III en feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 5 op dagvaarding IV wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft onder bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 2 op dagvaarding II
De verdachte heeft dit feit bekend. De rechtbank stelt echter vast dat in de tenlastelegging 1 augustus 2025 als pleegdatum staat vermeld, terwijl uit het dossier blijkt dat de diefstal is gepleegd op 5 augustus 2025. De rechtbank ziet zich hierom voor de vraag gesteld of de in de tenlastelegging opgenomen (onjuiste) pleegdatum kan worden beschouwd als een kennelijke verschrijving en verbeterd gelezen dient te worden.
De rechtbank onderkent dat de pleegdatum een kernbestanddeel van de tenlastelegging is en essentieel is met het oog op de informatiefunctie van de dagvaarding. Uit het verhandelde ter terechtzitting is echter niet gebleken van enig misverstand over de aard van de verdenking. De verdachte heeft beide feiten op dagvaarding II bekend en noch de verdachte, noch zijn raadsman, heeft op enig moment blijk gegeven van enige onduidelijkheid of verwarring omtrent het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat door het verbeterd lezen van deze kennelijke verschrijving de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank zal daarom de tenlastelegging verbeterd lezen en acht gelet op de verklaring van de verdachte het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 3 op dagvaarding III
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van witwassen van de personenauto, omdat de verdachte geen verhullende handelingen heeft uitgevoerd.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt.
Voor een bewezenverklaring van witwassen dient vast te komen staan dat de verdachte van een voorwerp de werkelijke aard of herkomst heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende van het betreffende voorwerp was, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – uit een misdrijf afkomstig was. Er moet een handeling zijn die het verbergen of verhullen van de criminele aard van het voorwerp tot doel heeft en die handeling moet ook geschikt zijn om de criminele aard te verbergen of verhullen.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de personenauto heeft gereden en dat hij deze verder van het huis van zijn moeder had geparkeerd, omdat het raam van de auto stuk was en hij het gevoel had dat er iets niet klopte. In het dossier bevindt zich daarnaast een verklaring van [naam 1] , inhoudende dat hij samen met de verdachte de kentekenplaten van de personenauto heeft verwisseld. Deze verklaring wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier, zoals het aantreffen van een DNA-match op de kentekenplaat en de verklaring van de verdachte dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van andere kentekenplaten in de auto.
De rechtbank is dan ook, op grond van de voornoemde omstandigheden, van oordeel dat de verdachte wist dat de auto uit enig misdrijf afkomstig was en dat de verdachte vervolgens, om deze herkomst te verhullen, de kentekenplaten van de auto heeft verwisseld. Het verwisselen van kentekenplaten is naar haar aard een handeling waarmee opzettelijk wordt verhuld wie de werkelijke rechthebbende van het voertuig was.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de gedragingen van de verdachte in de ten laste gelegde periode erop gericht zijn geweest om de herkomst van de auto te verhullen en acht zij feit 2 op dagvaarding II wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van feit 3 op dagvaarding III
De raadsman heeft ter zitting bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van dit feit. De verdachte heeft namelijk ontkend dat hij heeft gereden en uit het dossier volgt volgens de verdediging onvoldoende redengevend bewijs dat de verdachte de bestuurder van de auto is geweest.
De rechtbank oordeelt anders en overweegt hiertoe als volgt.
De verdachte is met een jerrycan benzine aangetroffen op de vluchtstrook, nabij een auto die daar stil stond zonder benzine. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wel wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, maar dat hij als passagier met een vriend had meegereden en dus niet de bestuurder van de auto is geweest. De rechtbank acht dit alternatieve scenario echter niet aannemelijk. Uit het dossier blijkt namelijk dat er meerdere meldingen zijn gedaan van (slechts) één persoon die op de vluchtstrook liep en dat de verdachte de autosleutels van de auto in zijn zak had. Daarnaast heeft de verdachte in eerste instantie tegenover verbalisanten verklaard dat er een Poolse vriend in de auto zou hebben gereden en dat hij bij de auto zou blijven wachten. Later heeft de verdachte deze verklaring gewijzigd en heeft hij verklaard dat de bestuurder van de auto [naam 2] zou zijn geweest. Gelet op de voornoemde omstandigheden schuift de rechtbank het alternatieve scenario van de verdachte ter zijde en acht zij bewezen dat de verdachte de bestuurder is geweest van de auto, wat tot de conclusie leidt dat de verdachte daarmee heeft gereden terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Ten aanzien van feit 2 op dagvaarding IV
Anders dan de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De aangeefster heeft verklaard dat zij is geslagen en gewurgd door de verdachte. Deze verklaring vindt op diverse punten in het dossier steun. Zo blijkt dat politieagenten op 19 september 2023 – de vermeende pleegdatum – bij aangeefster langs zijn geweest en foto’s hebben gemaakt van haar letsel. De rechtbank maakt daaruit op dat de letselfoto’s in het dossier dateren van 19 september 2023 en derhalve bruikbaar zijn als steunbewijs. Daarbij is van belang dat nergens anders in het dossier wordt geverbaliseerd over genomen foto’s van letsel, waardoor de rechtbank geen twijfel heeft dat deze foto’s horen bij de gebeurtenissen van 19 september 2023. Op deze letselfoto’s zijn krassen te zien in de nek van de aangeefster, hetgeen aansluit bij één van de aan de verdachte verweten handelingen, namelijk het grijpen bij de keel. Daarnaast is er in het dossier een getuigenverklaring aanwezig van een vriendin van de aangeefster, inhoudende dat zij aan het bellen was met de aangeefster op het moment dat de mishandeling zou hebben plaatsgevonden. Uit de verklaring blijkt dat de aangeefster heeft geschreeuwd ‘ik word gekild’, dat een mannenstem op de achtergrond was te horen en dat aangeefster meerdere keren “au” heeft geroepen tijdens het voorval. Ook deze verklaring acht de rechtbank betrouwbaar, omdat deze aansluit op hetgeen de aangeefster heeft verklaard. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen de aangeefster voor het overige over de mishandeling heeft verklaard, waardoor zij zowel het wurgen als het slaan door de verdachte wettig en overtuigend bewezen acht. Hierbij wijst de rechtbank ook op het feit dat de verdachte heeft verklaard dat er een worsteling heeft plaatsgevonden.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van dagvaarding I:
1. primair
hij op 24 september 2025 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braasem, in een woning gelegen aan de [adres 1] , alwaar verdachte zich buiten weten van de rechthebbende bevond, een telefoon en een portemonnee met daarin één of meerdere passen en 50 euro en een sleutelbos en een voertuig (kenteken [kenteken 1] ), die aan [benadeelde 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 24 september 2025 te Sassenheim, gemeente Teylingen, 3009 euro, die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, door gebruikmaking van een middels diefstal verkregen bankpas;
ten aanzien van dagvaarding II:
1
hij op 1 augustus 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een fatbike, die aan [benadeelde 2] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, het kettingslot van die fatbike door heeft geslepen met een slijptol, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 5 augustus 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen, een fatbike, die aan [benadeelde 3] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
ten aanzien van dagvaarding III:
1
hij op 10 juni 2025 te Oud Ade, gemeente Kaag en Braassem, brandstof, die aan de Shell toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij in de periode van 13 januari 2025 tot en met 14 januari 2025 te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, van een personenauto de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was, terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf;
3
hij op 10 juni 2025 te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, C, C1 en T, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorieën was afgegeven, op de weg, de A2, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van één van die categorieën heeft bestuurd;
ten aanzien van dagvaarding IV:
1. subsidiair
hij op een tijdstip in de periode van 27 september 2023 tot en met 1 oktober 2023 te Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn, opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een boot gelegen in de [waterweg] , die aan [benadeelde 4] toebehoorde, heeft vernield;
2
hij op 19 september 2023 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, zijn levensgezel [benadeelde 5] heeft mishandeld door die [benadeelde 5] met kracht bij de nek vast te pakken en die [benadeelde 5] te slaan;
3
hij op 19 september 2023 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon (merk Oppo), die aan [benadeelde 5] toebehoorde, heeft vernield;
5
hij op 30 september 2023 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning gelegen aan het [adres 2] , die aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden (kort gezegd):
  • een meldplicht bij reclassering
  • opname in een zorginstelling
  • een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
  • verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
  • een locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
  • dagbesteding
  • aflossing van schulden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring een groter voorwaardelijk strafdeel op te leggen en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waarvan vijf keer diefstal, drie keer vernieling, één keer witwassen, één keer rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs en één keer mishandeling.
De verdachte heeft ’s nachts ingebroken in het huis van zijn vader en daarbij allerlei spullen meegenomen, waaronder een pinpas. Met deze gestolen pinpas heeft de verdachte vervolgens meerdere uitgaven gedaan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal en diefstal van een fatbike en heeft hij zijn ex-vriendin mishandeld en meerdere voorwerpen van haar vernield. De verdachte heeft met zijn handelen schade, hinder en letsel veroorzaakt en ervan blijk gegeven dat hij geen respect heeft voor het eigendomsrecht of de lichamelijke integriteit van anderen. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een auto. Hierdoor wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden en wordt het economische verkeer aangetast. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Daarmee heeft de verdachte getoond geen gevolg te willen geven aan de door het bevoegd gezag ter bescherming van de verkeersveiligheid genomen besluiten. De verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 december 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, met name vermogensdelicten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 december 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op meerdere gebieden en van een hoog recidiverisico. De verdachte heeft geen vaste huisvesting, geen vast inkomen en kampt al jarenlang met verslavingsproblematiek. Zijn psychosociaal functioneren speelt daarbij mogelijk een rol: de verdachte is met ADHD gediagnosticeerd en er is een vermoeden van een licht verstandelijke beperking De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij een meldplicht, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een locatieverbod, dagbesteding en medewerking aan het aflossen van schulden. De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven gemotiveerd te zijn zich te zullen houden aan alle voorwaarden. Daarmee hoopt de verdachte uiteindelijk de problematiek het hoofd te bieden.
Strafmodaliteit en strafmaat
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank, gelet op wat in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast wordt met de oplegging van bijzondere voorwaarden beoogd om te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
De onvoorwaardelijke gevangenisstraf is gelijk aan de straf die door de officier van justitie is geëist, maar de rechtbank ziet aanleiding om een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.009,80 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit aan materiële schade.
[benadeelde 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 1.021,- gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[benadeelde 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van €2.075,88 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[benadeelde 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 1.800,86 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:
  • toewijzing van de vordering benadeelde partij van [benadeelde 1] voor het gehele bedrag van € 3.009,80, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij van [benadeelde 3] tot een bedrag van € 885,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige;
  • gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij van [benadeelde 6] ter hoogte van € 1150,68, te vermeerderen met de wettelijke rente, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige;
  • niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde 7] .
Daarnaast is verzocht om de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat:
  • de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] geheel kan worden toegewezen;
  • de vordering van benadeelde partij [benadeelde 3] gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 885,-;
  • de vordering van benadeelde partij [benadeelde 6] gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 100,- en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;
  • de benadeelde partij [benadeelde 7] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Materiële schade
De gevorderde schade is conform de bedragen in de aangifte. De vordering is op het punt van materiële schade namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Totaal toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.009,80, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.009,80, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] .
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde feit. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden (materiële) schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Zij schat de nieuwprijs (aan de hand van de door de raadsman aangevoerde gegevens) op € 885,-. De rechtbank weet niet hoe oud de fiets is, maar gaat ervan uit dat dat type fietsen snel in waarde daalt. Daarom wordt de dagwaarde geschat op 50% van de nieuwprijs: € 442,50.
Totaal toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 442,50, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 442,50, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] .
De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 6] en [benadeelde 7]
Beoordeling van de vorderingen
De rechtbank overweegt dat, met betrekking tot het bij dagvaarding III onder 2 bewezenverklaarde feit, uit de aangifte en de vordering van benadeelde partij [benadeelde 6] blijkt dat deze mede namens [benadeelde 7] zijn ingediend. Daarbovenop heeft ook [benadeelde 7] een vordering als benadeelde partij – enkel op zijn naam – ingediend. De in de vordering van [benadeelde 7] genoemde kostenposten, betreffende kosten gemaakt ten behoeve van het repareren of beveiligen van de auto, zijn ook in de vordering van benadeelde partij [benadeelde 6] aangehaald en met stukken onderbouwd. Daarnaast zijn in de vordering van [benadeelde 6] de kosten voor het vervangen van sloten van de woning gevorderd.
Omdat de vordering van benadeelde partij [benadeelde 7] in feite reeds in de vordering van [benadeelde 6] is vervat, is de rechtbank van oordeel dat met beoordeling van de vorderingen kan worden volstaan door deze samen te voegen en als één geheel te beoordelen.
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bij dagvaarding III onder 2 bewezenverklaarde feit, tot een bedrag van € 1.063,31.
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Specificatie
toe te wijzen
Motivering
onderdelen raam, kenteken
€ 142,51
schade voldoende aannemelijk
Spuitwerk
-
de auto had volgens de aangifte al bestaande schade: "rechter voorportier zit een kleine deuk, de verf bladdert af hier en daar". Het is niet gebleken dat de verdachte schade aan de lak heeft veroorzaakt.
Arbeid
€ 404,49
schatting van de arbeidsuren op 50%, nu een deel van de schade niet voor rekening van de verdachte komt (zie vorige post)
Milieutoeslag
€ 21,85
schade voldoende aannemelijk
btw
€ 119,46
btw herberekend over voorgaande posten
2ehands sloten
€ 100,00
schade voldoende aannemelijk
cilindersloten woning
€ 275,00
toewijsbaar (als kosten ter voorkoming van verdere schade)
Totaal
€ 1.063,31
totaal toe te wijzen
Totaal toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.063,31, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding III onder 2 bewezenverklaarde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.063,31, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] .

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 2, 3, 4, 5, 9 en 10 genoemde voorwerpen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende en dat de onder 6, 7 en 8 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot de op de beslaglijst onder 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 genoemde voorwerpen geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
De rechtbank overweegt voorts dat de onder 1 en 2 genoemde voorwerpen geen betrekking hebben op de ten laste gelegde feiten. De rechtbank zal hierop dan ook geen beslissing nemen.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 5 december 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 13/381115-25 door de politierechter van de rechtbank Amsterdam op 3 juli 2025 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van twee weken, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 5 december 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis d.d. 3 juli 2025van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikelen:
  • 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 63, 300, 304, 310, 311, 350 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
  • 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding IV onder 1 primair en onder 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair en 2, bij dagvaarding II onder 1 en 2, bij dagvaarding III onder 1, 2 en 3 en bij dagvaarding IV onder 1 subsidiair, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, onder 1 primair:
diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
ten aanzien van dagvaarding I, onder 2:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;
ten aanzien van dagvaarding II, onder 1:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van dagvaarding II, onder 2:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking;
ten aanzien van dagvaarding III, onder 1:
diefstal;
ten aanzien van dagvaarding III, onder 2:
witwassen;
ten aanzien van dagvaarding III, onder 3:
overtreding van het bepaalde in artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van dagvaarding IV, onder 1 subsidiair:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
ten aanzien van dagvaarding IV, onder 2:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;
ten aanzien van dagvaarding IV, onder 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
ten aanzien van dagvaarding IV, onder 5:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
9 (NEGEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
4 (vier) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
1.
Meldplicht
zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij GGZ reclassering Fivoor op het adres Perzikweg 1-7 te Leiden. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2.
Opname in een zorginstelling
zich laat opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die
verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zodra er plek is. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Diagnostisch onderzoek maakt deel uit van de behandeling en als uit de diagnostiek een ander (klinisch) behandelaanbod naar voren komt, dan verleent de verdachte hieraan ook zijn medewerking. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
3.
Ambulante behandeling
zich behandelen door het Ambulant Centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener,
te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
4.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na de klinische opname. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
5.
Locatieverbod
zich niet bevindt binnen een straal van 200 meter van de [adres 1] , [postcode]
Roelofarendsveen;
6.
Dagbesteding
zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
7.
Aflossing schulden
meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen,
ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen (deels) toe en veroordeelt de verdachte om te betalen:
  • een bedrag van € 3.009,80, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] ;
  • een bedrag van € 442,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;
  • een bedrag van € 1.063,31, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ;
bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en de vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de schadevergoedingsmaatregelen
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen:
  • een bedrag van € 3.009,80, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] ;
  • een bedrag van € 442,50, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 5 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;
  • een bedrag van € 1.063,31, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] en [benadeelde 7] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van respectievelijk:
- 30 dagen ( [benadeelde 1] ),
- 4 dagen ( [benadeelde 3] ) en
- 10 dagen ( [benadeelde 6] en [benadeelde 7] );
waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichtingen niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 3 t/m 10 genoemde voorwerpen, te weten:
3. 1 1 STK Medisch Instrument
3. 1 1 STK Sleutelbos
3. 1 3 STK Gasfles
3. 1 1 STK Kentekenplaat
3. 1 1 STK Kentekenplaat
3. 1 1 STK Kentekenplaat
3. 1 1 STK Personenauto = [kenteken 2]
3. 1 2 STK Kentekenplaat
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 3 juli 2025 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, gewezen onder parketnummer 13/381115-25, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
Dit vonnis is gewezen door
mr. T. Ketelaars, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. G. Kuijper, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond en mr. F. Aksu, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 januari 2026.
Bijlage I: tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
ten aanzien van dagvaarding met parketnummer 09/252464-25 (dagvaarding I ):
1
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 september 2025 tot en met 24 september 2025 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braasem, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan de [adres 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een telefoon en/of
- een portemonee met daarin één of meerdere passen en/of 50 euro en/of
- een sleutelbos en/of
- een voertuig (kenteken [kenteken 1] ),
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan
een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 september 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen
- een telefoon en/of
- een portemonee met daarin één of meerdere passen en/of 50 euro en/of
- een sleutelbos en/of
- een voertuig (kenteken [kenteken 1] ), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2
hij op of omstreeks 24 september 2025 te Sassenheim, gemeente Teylingen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal 3009 euro, althans (telkens) een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruikmaking van een middels diefstal verkregen bankpas;
ten aanzien van dagvaarding met parketnummer 09/284465-25 (dagvaarding II):
1
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, het (ketting)slot van die fatbike (door) heeft geslepen met een slijptol, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
ten aanzien van dagvaarding met parketnummer 09/179860-25 (dagvaarding III):
1
hij, op of omstreeks 10 juni 2025 te Oud Ade, gemeente Kaag en Braassem brandstof, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Shell, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij in in, althans de periode 13 januari 2025 tot en met 14 januari 2025 te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem (van) een een personenauto, althans een of meer voorwerpen
Sub a
-de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
-heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
-heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
3
hij, op of omstreeks 10 juni 2025 te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, C, C1 en T, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de A2, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
ten aanzien van dagvaarding met parketnummer 09/072175-24 (dagvaarding IV):
1
hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 27 september 2023 tot en met 1 oktober 2023 te Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een boot (gelegen in of nabij de [waterweg] ), geld en/of enig goed van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 27 september 2023 tot en met 1 oktober 2023 te Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk een zeil en/of een raam (van een boor gelegen in de [waterweg] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
hij op of omstreeks 19 september 2023 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn zijn levensgezel, althans een persoon, [benadeelde 5] , heeft mishandeld door die [benadeelde 5] met kracht bij de nek/hals vast te pakken en/of die [benadeelde 5] een of meer ke(e)r(en) te slaan;
3
hij op of omstreeks 19 september 2023 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon (merk Oppo), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4
hij op of omstreeks 30 september 2023 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn zijn levensgezel, althans een persoon, [benadeelde 5] , heeft mishandeld door die [benadeelde 5] met kracht bij de nek/hals vast te pakken;
5
hij op of omstreeks 30 september 2023 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een woning gelegen aan het [adres 2] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.