Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10292

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
09-163956-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen explosie en bezit IED

De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een explosie en het medeplegen van het voorhanden hebben van een Improvised Explosive Device (IED). De feiten vonden plaats op 16 mei 2024 in Den Haag. De verdachte en een medeverdachte maakten afspraken via Snapchat en werden later op een fatbike betrapt terwijl zij een explosief in een plastic zak bij zich hadden.

De rechtbank achtte op basis van onder meer chatberichten, verklaringen van de medeverdachte, politie waarnemingen en een NFI-rapport wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte bewust en nauw samenwerkte bij de voorbereidingshandelingen en het bezit van het explosief. De verdachte ontkende, maar zijn verklaring werd door het bewijs weersproken. Er was sprake van een ernstig misdrijf met gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder impulsiviteit en taalbarrière, en de overschrijding van de redelijke termijn met zeven maanden. De straf bestaat uit 60 dagen jeugddetentie waarvan 32 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en dagbesteding, en een leerstraf van 40 uur. De voorlopige hechtenis van 28 dagen wordt in mindering gebracht. De bijzondere voorwaarden zijn niet dadelijk uitvoerbaar verklaard omdat het risico op een nieuw ernstig misdrijf niet aannemelijk is.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 dagen jeugddetentie, deels voorwaardelijk, en een leerstraf van 40 uur voor medeplegen voorbereidingshandelingen explosie en bezit van een IED.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-163956-24
Datum uitspraak: 29 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 13 april 2026 (inhoudelijk) en 15 april 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. S. van Dongen en de raadsman van de verdachte is mr. M.T. de Vaal te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van 13 april 2026 verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 16 mei 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de
wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het medeplegen van de in artikel 157 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafecht omschreven brandstichting en/of ontploffing ten aanzien van één of meer (vooralsnog) onbekend gebleven objecten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten een doos met daarin een plastic zak bevattende (ongeveer 400 gram) flitspoeder en/of een (vlucht)scooter (fatbike) en/of het dragen van gezichtsbedekkende kleding, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 16 mei 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging, althans
alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een Improvised Explosive Device (IED) (bestaande uit een rechthoekig pakket omwikkeld met DUCT-tape met uit één hoek een vuurwerklont stekende, en bevattende ongeveer 300 gr flitspoeder), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen feit 1 en feit 2
De rechtbank heeft in bijlage I de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.4
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de verdachte vrij te spreken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Volgens de verdediging kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van medeplegen, dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het aangetroffen goed en dat het opzet van de verdachte was gericht op brandstichting.
Het oordeel van de rechtbank
Anders dan de verdediging heeft betoogd, acht de rechtbank op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing en/of stichten van een brand en het medeplegen van het voorhanden hebben van een explosief. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier leidt de rechtbank af dat op 16 mei 2024 om 01.01 uur via Snapchat contact is geweest tussen de gebruikers ' [account 1] ' en ' [account 2] '. De politie concludeert op basis van meerdere foto’s en video’s van medeverdachte [medeverdachte] in de Snapchatgalerij van het account ' [account 1] ' dat [medeverdachte] de gebruiker is van dit account. De politie stelt voorts vast dat het Snapchataccount ' [account 2] ' aan de verdachte toebehoort. In dit Snapchatgesprek maken de verdachten de afspraak dat medeverdachte [medeverdachte] de verdachte zo bij hem thuis aan de [adres] komt ophalen. Uit de belgeschiedenis van de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] blijkt voorts dat er om 01.24 uur telefonisch contact is tussen medeverdachte [medeverdachte] en een contact, opgeslagen als [verdachte] .
Omstreeks 02.35 uur trof de politie de twee verdachten aan op een fatbike, terwijl zij met een opvallend hoge snelheid en zonder duidelijke verlichting reden. Beide verdachten waren geheel in het zwart gekleed en droegen gezichtsbedekking. Toen het politievoertuig naast de verdachten kwam rijden, gedroegen de verdachten zich gespannen, vertoonden zij onrustig gedrag en begonnen zij onderling met elkaar te communiceren. De verdachten werd drie keer aangeroepen om te stoppen, maar hier werd geen gehoor aan gegeven. Vervolgens gooide de verdachte, die achterop de fatbike zat, een vierkant zwart voorwerp, verpakt in een doorzichtige plastic zak, ter hoogte van een pand van de [bedrijf] op de grond. Pas toen een van de verbalisanten een stroomstootwapen ter hand nam, werd de fatbike door medeverdachte [medeverdachte] , die de fatbike bestuurde, tot stilstand gebracht. Na de staandehouding van de verdachten keerde een van de verbalisanten terug naar de plek waar het voorwerp op de grond was gegooid. Daar werd een explosief verpakt in een plastic zak aangetroffen. De plastic zak en het explosief waren droog, terwijl het fietspad en de directe omgeving nat waren door de regen die gevallen was.
Het aangetroffen pakket betrof een zelfgemaakt explosief, een zogenoemd Improvised Explosive Device (IED). Dit is een voorwerp dat is bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur en/of door middel van ontploffing. Een alternatieve toepassing is er niet. Het voorwerp is daarmee een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie. Van het explosief is naar algemene ervaringsregels gevaar voor personen en/of goederen bij ontploffing te duchten, hetgeen bevestigd wordt in de rapportage van het onderzoek van het explosief door het NFI.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte het pakket bij zich had met de bedoeling om het af te steken. Daarbij heeft hij een concrete beschrijving gegeven van het pakket, die overeenkwam met het aangetroffen pakket (zwart pakket met een lontje, dat leek op zelfgemaakt vuurwerk).
De rechtbank is, gelet op het concrete samenstel van feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en de uiterlijke verschijningsvorm daarvan (het afspreken om midden in de nacht samen op pad te gaan, het dragen van zwarte kleding en gezichtsbedekking, het rijden op een fatbike met een opvallend hoge snelheid en zonder duidelijke verlichting, het drie keer negeren van een stopteken, de nerveuze en gespannen houding van de verdachten, het onderlinge contact tussen beiden tijdens het negeren van de stoptekens, het weggooien van het pakket door de verdachte na het onderlinge contact, het aantreffen van het explosief op de plek waar het pakket door de verdachte werd neergegooid en de verklaring van medeverdachte dat de verdachte een pakket bij zich had met de bedoeling het af te steken) van oordeel dat de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing en het voorhanden hebben van een explosief en dat zij hierbij nauw en bewust hebben samengewerkt. Aldus kan het tenlastegelegde medeplegen bewezen worden verklaard.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de voorbereidingshandelingen en -middelen gericht waren op het teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing en dat het opzet van de verdachten was gericht op het begaan van dit misdrijf. Het explosief, de fatbike en gezichtsbedekkende kleding, zijn naar het oordeel van de rechtbank voorwerpen die bestemd waren voor het begaan van het beoogde grondmisdrijf (namelijk het teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing). Deze middelen konden naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig zijn voor het doel dat de verdachten met het gebruik daarvan voor ogen hadden. Daar komt bij dat medeverdachte [medeverdachte] bij de politie heeft verklaard dat de verdachte ook de bedoeling had het pakket af te steken.
Gelet op de inhoud van de hiervoor besproken bewijsmiddelen, gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij niets afwist van het explosief. Zijn verklaring wordt door de gebezigde bewijsmiddelen weersproken en vindt bovendien geen steun in het dossier.
Conclusie
Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 16 mei 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het medeplegen van de in artikel 157 eerste Pro lid van het Wetboek van Strafecht omschreven brandstichting en/of ontploffing ten aanzien van één of meer onbekend gebleven objecten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is, opzettelijk voorwerpen,
en eenstof, en
eenvervoermiddel, te weten een doos met daarin een plastic zak bevattende ongeveer
300gram flitspoeder, een fatbike en gezichtsbedekkende kleding, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft voorhanden heeft gehad;
2
hij op 16 mei 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging
met een ander, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een Improvised Explosive Device (IED), bestaande uit een rechthoekig pakket omwikkeld met DUCT-tape met uit één hoek een vuurwerklont stekende, en bevattende ongeveer 300 gram flitspoeder, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte – rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 32 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren en de navolgende bijzondere voorwaarden: het meewerken aan reclasseringstoezicht, het meewerken aan de begeleiding door een coach, een contactverbod met de medeverdachte en het vinden en behouden van dagbesteding.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een leerstraf, te weten So-Cool Regulier voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat er bij een eventuele strafoplegging geen ruimte meer is voor de oplegging van een onvoorwaardelijke straf die meer zou bedragen dan de 18 dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat de verdachte zich al een lange periode aan schorsende voorwaarden heeft moeten houden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een explosie, waarbij gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar te duchten was. Daarnaast heeft hij zich, samenhangend met de voorbereiding van de explosie, schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een Improvised Explosive Device (IED) met een explosieve lading van ongeveer 300 gram flitspoeder. Hiermee hadden de verdachten een flinke ontploffing kunnen veroorzaken (zoals ook zichtbaar op het filmpje waarop het explosief tot ontploffing is gebracht) met alle gevolgen van dien. Het is uitsluitend aan het ingrijpen van de politie te danken dat het plan van de verdachten niet tot uitvoering is gekomen.
Het teweegbrengen van een explosie is een ernstig strafbaar feit, dat in de samenleving grote gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt en een grote inbreuk op de rechtsorde maakt. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 maart 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De deskundige van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft ter zitting geadviseerd dat een leerstraf in de vorm van So Cool Regulier passend zou kunnen zijn, gezien de vaardigheidstekorten en impulsiviteit van de verdachte. Daarnaast is het volgens de Raad van belang dat de jeugdreclassering en de coach betrokken blijven. De Raad heeft geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een e-mailbericht van de jeugdreclasseerder, werkzaam bij William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) van 6 april 2026. Daaruit blijkt – kort samengevat – dat de verdachte over het algemeen meewerkt aan de begeleiding door de jeugdreclassering en zich houdt aan de bijzondere voorwaarden. Daarnaast is hij de afgelopen periode niet opnieuw in aanraking gekomen met politie of justitie. Tegelijk blijven er volgens de jeugdreclassering zorgen bestaan op het gebied van de vaardigheden van de verdachte. De verdachte heeft moeite met het inschatten van situaties en het overzien van de gevolgen van zijn handelen. Ook speelt een taalbarrière een rol, waardoor hij niet altijd alles volledig begrijpt. De begeleiding richt zich op het versterken van deze vaardigheden en het vergroten van zijn zelfinzicht. Volgens de jeugdreclassering kan concluderend worden gesteld dat de verdachte zich over het algemeen aan de bijzondere voorwaarden houdt en hierin positieve stappen laat zien. Voortzetting van de begeleiding wordt echter noodzakelijk geacht om zijn verdere ontwikkeling te ondersteunen en het risico op recidive te beperken.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. In deze zaak is die termijn met 7 maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal deze overschrijding in strafmatigende zin meewegen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Voor het medeplegen van voorbereiding van een explosie worden in de regel forse straffen opgelegd.
In dit geval weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 sprake is medeplegen. In strafverlagende zin houdt zij rekening met het feit dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds 12 juni 2024 is geschorst en dat hij zich tijdens deze (lange) periode goed aan zijn schorsende voorwaarden heeft gehouden. Ook houdt de rechtbank (zoals reeds overwogen) rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank betrekt in de strafmaat verder dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van samenloop voor wat betreft het voorhanden hebben van het explosief.
Bij de bepaling van de aard en zwaarte van de straf betrekt de rechtbank tot slot dat er nog zorgen zijn over de impulsiviteit en vaardigheidstekorten van de verdachte. Tegen deze achtergrond vindt de rechtbank het van belang dat de straf niet alleen bijdraagt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten en fungeert als een stok achter de deur, maar ook een pedagogisch vangnet biedt, zodat de verdachte wordt ondersteund in zijn verdere ontwikkeling.
Gezien de aard en ernst van de feiten kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van (een deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank – conform de eis van de officier van justitie – een jeugddetentie voor de duur van 60 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (28 dagen), waarvan 32 dagen voorwaardelijk, en de leerstraf So-Cool Regulier van 40 uren, een passende straf en juiste pedagogische interventie vindt.
Aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden en bijzondere voorwaarden opleggen zoals hierna vermeld. Deze voorwaarden zijn gericht op de voortzetting van de begeleiding als ook op het behouden van structuur en dagbesteding, zodat de verdachte de mogelijkheid krijgt om zich positief te (blijven) ontwikkelen en langs die weg ook herhaling kan worden voorkomen.
De Raad heeft ter zitting geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank zal dat advies niet volgen. Zij overweegt hiertoe dat bijzondere voorwaarden enkel dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt in dit geval niet aan voormelde vereisten voldaan.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 46, 47, 55, 77 a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
ten aanzien van feit 1 en feit 2:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk teweegbrengen van brandstichting/een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander/anderen te duchten is;
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II onderdeel 7º;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
60 (ZESTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (
door de rechtbank begroot op 28 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt, dat een gedeelte van deze jeugddetentie, groot
32 (TWEEËNDERTIG) DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
2 (TWEE) jaarvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken en luistert en zich voegt naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering;
2. gedurende de proeftijd zal meewerken aan de begeleiding door een coach van [instelling] of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt, zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
3. zich gedurende de proeftijd zal inspannen om een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk en/of school te vinden en te behouden en zich zal houden aan het rooster en de afspraken die daar gelden;
4. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;
geeft opdracht aan William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
leerstraf, zijnde het volgen van een leerproject, te weten
So-Cool Regulier, voor de duur van
40 (VEERTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
20 (TWINTIG) DAGEN;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter,
mr. W.G. de Boer, kinderrechter,
en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2026.