ECLI:NL:RBDHA:2026:10300
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De minister van Asiel en Migratie heeft op 4 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel eerder getoetst en verklaarde deze toen rechtmatig.
In dit vervolgberoep betoogt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt bij de uitzetting, met name omdat er geen persoonlijke presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten heeft plaatsgevonden en er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door schriftelijke rappels en het voeren van een vertrekgesprek, en dat de afhankelijkheid van de Marokkaanse autoriteiten een persoonlijke presentatie bemoeilijkt.
Verder stelt de rechtbank dat het ontbreken van een laissez-passer op dit moment onvoldoende is om te concluderen dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat het lp-traject zal mislukken. De rechtbank ziet geen reden om de minister te verplichten tot het verstrekken van aanvullende inlichtingen.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.