5.4Bewijsoverwegingen
Identificatie Sky-ECC accounts
De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van de aan hem toegeschreven Sky-accounts, aangezien geen Sky-toestel onder hem in beslag is genomen. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat ook anderen, onder wie zijn broer, gebruik hebben gemaakt van deze accounts.
De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Uit het dossier volgt immers dat de Sky-ID’s [account 1] , [account 2] , [account 3] en [account 4] door één en dezelfde gebruiker werden gebruikt. Deze conclusie is gebaseerd op overeenkomsten in gebruikte nicknames (‘ [bijnaam] ’), telecomgegevens, contactenstructuur, inhoud van de chatberichten en de periode waarin de accounts actief waren. Uit de chatberichten van [account 3] is gebleken dat de gebruiker van dit account de eigenaar is van het bedrijf genaamd [bedrijf] . De verdachte is eigenaar van dit eenmansbedrijf.
Daarnaast volgt uit het telecomonderzoek dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik was bij de verdachte. Dit nummer komt naar voren in de analyse van historische telecomgegevens en wordt in het dossier in verband gebracht met communicatie waarin wordt gesproken over een garagebox waar de verdachte staat ingeschreven, een vrachtwagen waarvan zijn bedrijf eigenaar is en waarbij de gebruiker bij zijn voornaam wordt aangesproken. Uit de analyse van zendmastgegevens blijkt voorts dat deze aansluiting zich meermalen in de directe omgeving van het woonadres van de verdachte bevond en dat de verplaatsingen van deze telefoon synchroon liepen met die van een voertuig van de verdachte.
Uit het metadataonderzoek volgt verder dat de telefoon die was gekoppeld aan genoemd nummer ( [telefoonnummer] ) in verband kan worden gebracht met het gebruik van de hiervoor genoemde Sky-accounts, nu de communicatiepatronen, contactenstructuur en gebruiksperiode van deze accounts overeenkomen met de aan de verdachte toe te schrijven telecomgegevens. In combinatie met de stemherkenning, waarbij voiceberichten afkomstig van dit telefoonnummer zijn vergeleken met voiceberichten van de accounts [account 1] , [account 3] en [account 4] , levert dit een consistente identificatie van de gebruiker op.
Voor de vaststelling dat de verdachte gebruiker was van de betreffende Sky-accounts, is niet vereist dat een Sky-toestel onder hem in beslag is genomen. De identiteit van een gebruiker kan in dit geval voldoende worden vastgesteld op basis van de inhoud van de communicatie, metadataonderzoek en overige objectieve gegevens uit het dossier.
Gelet op de resultaten van het metadataonderzoek, de koppeling van het telefoonnummer [telefoonnummer] aan de verdachte, de inhoud van de communicatie waarin wordt verwezen naar aan hem te relateren locaties en voertuigen, de zendmastgegevens waaruit blijkt dat deze aansluiting zich herhaaldelijk in de directe omgeving van zijn woonadres bevond en synchroon liep met de verplaatsingen van een voertuig van de verdachte, alsmede de stemherkenning van voiceberichten afkomstig van de betreffende accounts, is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat de verdachte gebruiker was van de Sky-accounts [account 1] , [account 2] , [account 3] en [account 4] .
De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat ook de broer van de verdachte mogelijk gebruik heeft gemaakt van deze accounts wordt tegengesproken door voormelde bewijsmiddelen. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
Betrouwbaarheid berichtenverkeer en duiding cocaïne
De verdediging heeft aangevoerd dat de in het dossier opgenomen chatgesprekken onvolledig zijn en daarom behoedzaam moeten worden geïnterpreteerd. Volgens de verdediging kan uit deze communicatie niet worden vastgesteld dat deze betrekking had op cocaïne, mede omdat geen verdovende middelen onder de verdachte in beslag zijn genomen.
De rechtbank stelt voorop dat chatberichten als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt indien de inhoud daarvan, geplaatst in de context van de overige gegevens uit het dossier, voldoende concreet en consistent is. Dat mogelijk niet alle berichten beschikbaar zijn, maakt niet dat de in het dossier opgenomen communicatie buiten beschouwing moet blijven.
In gevallen waarin aan de inhoud van berichten een voor de verdachte belastende uitleg wordt gegeven, zal de rechtbank slechts tot die uitleg komen indien de inhoud daarvan redelijkerwijs niet voor een andere verklaring vatbaar is. Bij dat oordeel komt onder meer betekenis toe aan de aard en inhoud van de gesprekken en aan de betekenis van de daarin gebruikte bewoordingen.
Uit het dossier volgt dat via de aan de verdachte toegeschreven Sky-accounts gedurende de ten laste gelegde periode werd gecommuniceerd over containertransporten en logistieke handelingen. In deze communicatie wordt onder meer gesproken over ‘bakken’, ‘blokken’, ‘zegels’ en ‘loodsen’, alsmede over concrete transporten, waaronder een transport met het schip [schip] en de container met nummer [nummer] , waarin later 2.374 kilogram cocaïne is aangetroffen.
Gelet op de in de communicatie gebruikte terminologie, de context van de containertransporten, de verwijzingen naar tassen tussen de lading, baknummers en containerzegels, alsmede de koppeling met een transport waarbij een container met ongeveer 2.374 kilogram cocaïne is onderschept (zie feit 2), is de rechtbank van oordeel dat de berichten betrekking hadden op cocaïne. Onder deze omstandigheden kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aard van de goederen waarop de communicatie betrekking had. Het verweer wordt verworpen.
Medeplegen feit 1
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte slechts beperkt heeft deelgenomen aan groepsgesprekken waarin over verdovende middelen werd gesproken en dat geen sprake is geweest van concrete uitvoeringshandelingen. Volgens de verdediging kan daarom niet worden vastgesteld dat de verdachte betrokken was bij het aanwezig hebben van cocaïne en evenmin dat sprake was van medeplegen.
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen. Daarvoor is nodig dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het delict. Bij de beoordeling daarvan kan onder meer betekenis toekomen aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding en uitvoering van het feit en het belang van zijn bijdrage voor het verwezenlijken daarvan. Het enkele aanwezig zijn of het leveren van een ondergeschikte bijdrage is daarvoor onvoldoende.
Uit het berichtenverkeer via de aan de verdachte toegeschreven Sky-accounts volgt dat de verdachte gedurende de ten laste gelegde periode betrokken was bij communicatie over de overdracht en verplaatsing van partijen cocaïne binnen een samenwerkingsverband. In deze communicatie werden afspraken gemaakt over ontmoetingen op specifieke locaties en tijdstippen, werden adressen doorgegeven en werd afgestemd wanneer betrokkenen zich naar bepaalde locaties zouden verplaatsen. Tevens werd gesproken over het laden en verplaatsen van blokken en pakketten. Daarnaast werd gecommuniceerd over containertransporten via onder meer Antwerpen, waarbij werd gesproken over het openen van containerzegels.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen betrokken was bij het voorhanden hebben en verplaatsen van partijen cocaïne. De verdachte maakte deel uit van een samenwerkingsverband waarin in onderlinge afstemming werd gecommuniceerd over de aanwezigheid van cocaïne, het uithalen daarvan uit een loods en het laden en vervoeren van pakketten. De betrokkenheid van de verdachte beperkte zich niet tot het passief volgen van berichtenverkeer, maar bestond uit het deelnemen aan en voortbouwen op die communicatie, gericht op het beschikbaar houden en verplaatsen van de cocaïne. Daarmee had de verdachte, tezamen met zijn mededaders, feitelijke beschikkingsmacht over de betreffende partijen.
Conclusie
Gelet op de aard, duur en inhoud van deze samenwerking is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het aanwezig hebben van cocaïne. De rechtbank acht daarom sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en daarmee van medeplegen.
Voorbereidingshandelingen en medeplegen feit 2
De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een vrachtwagen of loods zou hebben geregeld, zich naar een loods heeft begeven waar een zeecontainer zou aankomen of een container heeft geopend.
Voor strafbaarheid op grond van artikel 10a van de Opiumwet (voorbereidingshandelingen) is niet vereist dat het voorgenomen Opiumwetdelict (zoals import van verdovende middelen) wordt voltooid. Voldoende is dat de verdachte zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen daarvan. Ook het uitwisselen van informatie, het maken van afspraken en het faciliteren van logistieke handelingen rondom transporten van verdovende middelen kan onder omstandigheden als zodanig worden aangemerkt. Zoals hiervoor reeds uiteen gezet is voor medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en een bijdrage van voldoende gewicht.
Uit het dossier volgt dat via de aan de verdachte toegeschreven Sky-accounts gedurende de ten laste gelegde periode in onderlinge afstemming werd gecommuniceerd over containertransporten waarin cocaïne verborgen was. Daarbij werd informatie uitgewisseld over baknummers, containerzegels, vervoersbewegingen en het gebruik van een loods in verband met het controleren en uithalen van cocaïne. Tevens blijkt uit het berichtenverkeer dat de verdachte betrokken was bij het opvangen van een container die op 13 december 2020 in de haven van Rotterdam door de douane werd gecontroleerd en waarin later ongeveer 2.374 kilogram cocaïne werd aangetroffen. De verdachte was actief betrokken bij deze communicatie. Dergelijke handelingen zijn naar hun aard gericht op het mogelijk maken van het lokaliseren, controleren en verder vervoeren van partijen cocaïne en leveren daarom het verschaffen van inlichtingen en middelen op als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.
Daarnaast is gebleken dat deze gedragingen plaatsvonden in structurele afstemming met andere betrokkenen binnen hetzelfde samenwerkingsverband. De verdachte leverde daarmee een bijdrage van voldoende gewicht aan de voorbereiding van de voorgenomen Opiumwetfeiten. Onder deze omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders.
Conclusie
De rechtbank acht daarom bewezen dat de verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Het verweer wordt verworpen.