Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10307

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
09-102946-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling voor diefstal met geweld van fatbike in Den Haag

De rechtbank Den Haag behandelde op 29 april 2026 een jeugdstrafzaak tegen een verdachte geboren in 2009. De tenlastelegging betrof twee feiten van diefstal met geweld en bedreiging met geweld, gepleegd op 2 april 2025 in Den Haag. Feit 1 betrof de diefstal van een fatbike en andere goederen van een aangever, waarbij bedreigingen met geweld werden geuit. Feit 2 betrof de diefstal van een fatbike van een andere aangever, eveneens onder bedreiging met geweld.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van feit 1 omdat het bewijs uitsluitend berustte op de verklaring van één aangever zonder aanvullende steun in het dossier, waardoor het wettelijk bewijsminimum niet werd gehaald. Voor feit 2 achtte de rechtbank het bewijs wel overtuigend, mede door de verklaringen van de aangever, twee getuigen en de verdachte zelf, die samenhangend en betrouwbaar werden bevonden ondanks een kleine tegenstrijdigheid over wie het vuurwapenachtig voorwerp toonde.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een werkstraf van 100 uur, met aftrek van vijf dagen voorarrest, zonder een voorwaardelijk strafdeel. De straf is lager dan geëist vanwege de vrijspraak van feit 1 en de positieve persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals goede schoolprestaties en afstand van een negatief sociaal netwerk. De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de noodzaak van een pedagogische interventie.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van feit 1 en veroordeeld tot 100 uur werkstraf voor feit 2 met aftrek van vijf dagen voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 09-102946-25
Datum uitspraak: 29 april 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], [land],
BRP-adres: [adres].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 13 april 2026 (inhoudelijk) en 15 april 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. B.A.C. Looijestijn en de raadsvrouw van de verdachte is mr. M.W. Kuiper te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van 13 april 2026 verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat de verdachte op 2 april 2025 op de openbare weg in Den Haag, samen met een ander:
Feit 1:een fatbike, tien euro aan contanten, een inbussleutel en een sleutelbos van [aangever 1] heeft weggenomen door middel van (bedreiging met) geweld tegen [aangever 1] en een derde ([naam]), en/of [aangever 1] door (bedreiging met) geweld heeft gedwongen tot afgifte van zijn fatbike;
Feit 2:een fatbike van [aangever 2] heeft weggenomen door middel van (bedreiging met) geweld tegen [aangever 2].
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 13 april 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Op specifieke standpunten zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3
Vrijspraak feit 1
Anders dan de officier van justitie en met de verdediging is de rechtbank met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. De aangever heeft verklaard dat hij op zijn fatbike reed toen hij door de verdachte en de medeverdachte werd ingehaald en door hen werd klemgereden. Volgens de aangever hebben de verdachten hem bedreigd en gedwongen om zijn fatbike af te geven door tegen hem te zeggen "kom we pakken deze jongen, geef me jouw fatbike anders schiet ik je neer", "geef me die fiets anders ga ik het echt doen" en "geef die fiets anders steek ik je neer". De aangever heeft verklaard dat de verdachte vervolgens aan zijn zakken ging zitten en daaruit een briefje van 10 euro, een inbussleutel, huissleutels, telefoon en airpods heeft gehaald. De telefoon en de airpods heeft hij teruggekregen, maar de rest van zijn spullen niet. De aangever heeft verder verklaard dat hij daarna zijn fatbike aan de verdachten heeft afgegeven, waarna zij met de fatbike zijn weggereden. De aangever heeft verklaard dat hij kort na het voorval, samen met een vriend van zijn vader ([naam]), op zoek is gegaan naar zijn fatbike. Tijdens deze zoektocht troffen zij de verdachten (zonder de fatbike) aan en zijn zij door de verdachten bedreigd met een zakmes. Later, bij de aanhouding van de verdachten, heeft de aangever hen herkend als de personen die zijn fatbike hebben weggenomen. Tegenover deze belastende verklaring van de aangever staan de ontkennende verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte.
Artikel 342 tweede Pro lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
In dit geval blijkt de verweten betrokkenheid van de verdachte uitsluitend uit de verklaring van de aangever. De aangever is immers de enige die over het ten laste gelegde heeft verklaard. Deze verklaring vindt geen steun in andere verklaringen of stukken in het dossier. Dit betekent dat het dossier geen ander wettig bewijsmiddel bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten concrete gedragingen. Daarmee is niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.
Dit betekent dat het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd ontbreekt en het ten laste gelegde feit niet bewezenverklaard kan worden. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde onder feit 1.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.5
Bewijsoverwegingen feit 2
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangever en de twee getuigen op essentiële punten uiteenlopen en daarom niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Aangezien er onvoldoende bewijs is, behoort de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsvrouw.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangever en de twee getuigen bruikbaar zijn voor het bewijs, nu de verklaringen op essentiële onderdelen grotendeels gelijkluidend zijn. Zo hebben zij alle drie verklaard dat zij door de verdachte en de medeverdachte op het speelplein werden benaderd, dat de verdachte op de fatbike van de aangever ging zitten en dat beide verdachten – dwingend en herhaaldelijk – aan de aangever hebben gevraagd om de sleutels van zijn fatbike aan hen af te geven. Daarnaast hebben zij allen verklaard dat één van de twee verdachten een beweging maakte naar zijn zak of broeksband. De aangever en [getuige 1] hebben verklaard dat er op dat moment vervolgens (een deel van) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp werd getoond. [getuige 2] heeft niet kunnen zien of er iets in de zak zat. Tot slot hebben zij alle drie verklaard dat de aangever vervolgens zijn sleutels heeft afgegeven aan de verdachten en dat de verdachten toen op zijn fatbike zijn weggereden.
De rechtbank constateert dat de enige tegenstrijdigheid in de verklaringen van de aangever en de getuigen betrekking heeft op de vraag wie van de twee verdachten naar zijn zak of broeksband greep en vervolgens (een deel van) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft getoond. Zowel de aangever als [getuige 2] wijzen de medeverdachte aan, terwijl [getuige 1] de verdachte aanwijst. In dit verband overweegt de rechtbank dat zij het voorstelbaar vindt dat [getuige 1] vanwege de stress door de situatie en zijn fixatie op het vuurwapen, niet helder voor ogen heeft gehad welke van de twee personen het vuurwapen heeft getoond. In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank in de besproken tegenstrijdigheid geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen, nu de verklaringen elkaar op de overige onderdelen over en weer ondersteunen.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen ook op onderdelen worden bevestigd door de verklaring die de verdachte zelf op de zitting heeft afgelegd. De verdachte heeft ter zitting bevestigd dat hij samen met de medeverdachte op het speelplein was en dat hij (zonder toestemming van aangever) op de fiets van de aangever is gaan zitten. Daarmee bevestigt hij de concrete context, waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verklaring van de aangever, die de rechtbank betrouwbaar acht, op essentiële onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de getuigen en de verklaring van de verdachte zelf.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
2
hij op 2 april 2025 te 's-Gravenhage, omstreeks 18:00 uur, tezamen en in vereniging met een ander, op de openbare weg, aan de Burg Waldeckstraat, een fatbike, die aan [aangever 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door
- die [aangever 2] de woorden toe te voegen "geef die sleutel van je fatbike" en "je gaat nu geven, anders ga ik wat trekken", en
- een (deel van een) op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan die [aangever 2] en
- die [aangever 2] vast te pakken bij zijn schouder en zijn kraag.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 35 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 30 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 75 uren gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij een bewezenverklaring rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan een diefstal met (bedreiging met) geweld van een fatbike. Het jonge slachtoffer was met zijn evenzo jonge vrienden op een speelplein aan het voetballen toen hij door de verdachte en zijn medeverdachte werd benaderd. Het slachtoffer werd onder bedreiging met geweld gedwongen om de sleutels van zijn fatbike af te geven. Toen hij dit weigerde, heeft de medeverdachte hem een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond en heeft hij het slachtoffer bij zijn schouder en kraag vastgepakt en hardhandig tegen een hek geduwd. Vervolgens zijn de verdachten, nadat het slachtoffer de sleutels van zijn fatbike had gegeven, er met de fatbike vandoor gegaan.
Dit is een ernstig feit waarbij er op grove wijze inbreuk is gemaakt op het eigendomsrecht en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten veel last kunnen hebben van wat hen is overkomen en zich nog lang onveilig kunnen voelen op straat. Ook veroorzaken dit soort feiten, gepleegd op de openbare weg, gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving. De verdachte heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en geen rekening gehouden met de impact op het slachtoffer. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Dit gegeven heeft verder geen invloed op de strafoplegging, omdat een blanco strafblad het uitgangspunt is.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van 9 april 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte zich goed heeft gehouden aan de schorsende voorwaarden en dat er geen nieuwe politiecontacten zijn geweest. De verdachte hangt niet meer op straat en hij heeft afstand genomen van zijn negatieve sociale netwerk. De verdachte doet het goed op school; hij zit in de examenklas, gaat het examen zeer waarschijnlijk halen en staat al ingeschreven voor een vervolgopleiding. Ook heeft hij een passende vrijetijdsbesteding en een bijbaantje. De Raad deelt de mening van de jeugdreclassering dat er geen begeleidingsdoelen meer zijn en dat er geen reden is om verplichte hulpverlening door te zetten. De Raad is van mening dat de verdachte in staat is om met hulp van zijn ouders problemen zelf aan te pakken. De kans op herhaling wordt als gemiddeld/laag geschat. De Raad adviseerde oorspronkelijk in het rapport om een deels voorwaardelijke werkstraf aan de verdachte op te leggen, maar ter zitting is het strafadvies gewijzigd in die zin, dat wordt geadviseerd om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. De Raad vindt, gelet op de ernst van de feiten, een stevige stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke jeugddetentie passend voor de verdachte. Daarnaast wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen.
De jeugdreclasseerder, werkzaam bij de Jeugdbescherming west (hierna: de jeugdreclassering) heeft zich achter het advies van de Raad geschaard en naar voren gebracht dat er geen begeleidingsdoelen meer zijn.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt voor diefstal met geweld een taakstraf van 60 uur dan wel (dienovereenkomstige) jeugddetentie vermeld. Als omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting worden onder andere in het bijzonder genoemd: de aard en ernst van het geweld, bedreiging met een wapen, de plaats van het delict en de kwetsbaarheid van het slachtoffer.
In dit geval weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat de verdachte de beroving samen met een ander heeft gepleegd en dat het jonge slachtoffer op klaarlichte dag op de openbare weg is bedreigd met een (deel van een) op een vuurwapen gelijkend voorwerp.
De rechtbank houdt in strafverlagende zin rekening met de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte. Het gaat zowel thuis als op school goed, hij heeft zijn leven op de rit en hij heeft met overtuiging voor het voetlicht gebracht dat hij deze positieve lijn wil voortzetten.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank een werkstraf voor de duur van 100 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht (5 dagen), een passende straf en juiste pedagogische interventie vindt. Nu er op dit moment geen zorgen over de verdachte zijn, er geen begeleidingsdoelen meer worden gezien en het risico op recidive als gemiddeld/laag wordt ingeschat, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel aan de verdachte op te leggen.
Deze straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde heeft vrijgesproken en daarmee tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie. Mede gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de gevorderde (deels voorwaardelijke) jeugddetentie in dit geval niet passend is.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
 77a, 77g, 77m, 77n, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.6 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
100 (HONDERD) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
50 (VIJFTIG)
DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht
(door de rechtbank begroot op 5 dagen),bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.G. de Boer, kinderrechter, voorzitter,
mr. M.H. Rochat, kinderrechter,
en mr. M.J. Bouwman, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van
mr. E.D.C. Donker Ladrón de Guevara, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2026.
Bijlage I
Tekst (gewijzigde) tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 april 2026 - ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 2 april 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten op/aan het Kraayensteinpad en/of de Forellendaal, een fatbike en/of tien euro aan contanten en/of een inbussleutel en/of een
sleutelbos, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en/of een derde ([naam]), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door omstreeks 16:06 uur:
- die [aangever 1] klem te rijden en/of
- die [aangever 1] de woorden toe te voegen "kom we pakken deze jongenm geef me jouw fatbike anders schiet ik je neer" en/of "geef me die fiets anders ga ik het echt doen" en/of "geef die fiets anders steek ik je neer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking
en/of
“- en/of de zakken van die [aangever 1] te doorzoeken”
en/of
omstreeks 16:16 uur:
- (na het wegnemen van de fatbike) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen aan die [aangever 1] en/of die [naam] en/of met dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp, op die [aangever 1] en/of die [naam] af te lopen;
en/of
hij op of omstreeks 2 april 2025 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten op/aan het Kraayensteinpad en/of de Forelllendaal, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een fatbike, toebehorende aan die [aangever 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) door
omstreeks 16.06 uur:
- die [aangever 1] klem te rijden en/of
- die [aangever 1] de woorden toe te voegen "kom we pakken deze jongen geef me jouw fatbike anders schiet ik je neer" en/of "geef me die fiets anders ga ik het echt doen" en/of "geef die fiets anders steek ik je neer", althans woorden van gelijke aard en/of strekking
en/of
omstreeks 16:16 uur:
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen aan die [aangever 1] en/of die [naam] en/of met dat mes, althans dat scherpe en/of puntige voorwerp, op die [aangever 1] en/of die [naam] af te lopen;
2
hij op of omstreeks 2 april 2025 te 's-Gravenhage, omstreeks 18:00 uur, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten op/aan de Burg Waldeckstraat, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- die [aangever 2] de woorden toe te voegen "geef die sleutel van je fatbike" en/of "je gaat nu geven, anders ga ik wat trekken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- een (deel van) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan die [aangever 2] en/of
- die [aangever 2] vast te pakken bij zijn schouder en/of zijn kraag.