6.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling door in een park, op klaarlichte dag, tegen het gezicht en tegen het hoofd van het minderjarige slachtoffer te slaan en te stompen. De verdachte heeft hierdoor pijn en fysiek letsel bij het slachtoffer veroorzaakt.
Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij hem gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte meent dat dit kennelijk de manier is om een conflict op te lossen. Daarnaast neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat hij geen enkel oog heeft gehad voor de nietsvermoedende omstanders, waaronder kinderen, die ongewild met het geweld zijn geconfronteerd, en meer in het bijzonder voor de personen die hebben geprobeerd het geweld te stoppen. Aannemelijk is dat ook zij zich, door het agressieve en ongeremde handelen van verdachte, onveilig hebben gevoeld. Dergelijk gedrag is bijzonder verwerpelijk en veroorzaakt gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt de verdachte dit alles kwalijk.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder voor (vergelijkbare) strafbare feiten is veroordeeld. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het plegen van het feit in drie verschillende proeftijden van eerdere veroordelingen. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden hierna opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van GGZ Fivoor Den Haag (hierna: de reclassering) van 31 maart 2026. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het risico op recidive als gemiddeld wordt geschat. Als voornaamste risicofactoren worden het sociale netwerk en psychosociaal functioneren van de verdachte gezien. De verdachte lijkt weinig weerstand te kunnen bieden aan zijn sociale netwerk. Daarnaast zijn er moeilijkheden in het oplossen van interpersoonlijke problematiek. Dit komt vermoedelijk voort uit een cognitieve achterstand. De verdachte heeft moeite om zichzelf te uiten en kan agressief worden. Ook lijkt er sprake van een laag zelfbeeld, waardoor hij het gevoel krijgt zich te moeten bewijzen tegenover zijn sociale netwerk of anderen. Hoewel de verdachte hierin inzicht aan het ontwikkelen is, is dit een voortdurend proces en is dit nog niet afgerond. Het schorsingstoezicht loopt momenteel goed en de verdachte houdt zich de laatste tijd aan de schorsende voorwaarden. Ook zet hij stappen in de goede richting wat de behandeling betreft. De reclassering vindt het daarom van belang dat de voorwaarden, zoals in het huidige toezicht aan hem zijn opgelegd, worden voortgezet. De reclassering is van mening dat er meer tijd nodig is om de huidige ontwikkeling duurzaam te stabiliseren en daarin continuïteit te kunnen bieden. Hierom adviseert de reclassering bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandelverplichting, ambulante begeleiding, meewerken aan middelencontroles, een locatiegebod en een inspanningsverplichting met betrekking tot dagbesteding. Met deze voorwaarden kan worden voortgebouwd op de reeds bereikte vooruitgang. Deze voorwaarden sluiten bovendien aan op de geïdentificeerde risicofactoren.
Tot slot adviseert de reclassering om de verdachte volgens het volwassenenstrafrecht te berechten. De reclassering vindt dat het punitieve karakter van het volwassenstrafrecht beter aansluit bij de verdachte dan het lerende karakter van het jeugdstrafrecht. Daarnaast wordt er geen noodzaak gezien voor de advisering van interventies die enkel binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn. De reclassering heeft twijfels over de pedagogische beïnvloedbaarheid van de verdachte omdat hij, ondanks de lopende hulpverlening en interventies, opnieuw delictgedrag heeft vertoond. Daarbij kan de huidige hulpverlening, zoals de coach en het dagbestedingstraject bij [instantie 1], worden uitgebreid op het moment dat er een veroordeling binnen het volwassenstrafrecht wordt uitgesproken, hetgeen door de reclassering als wenselijk wordt gezien.
De coach van de verdachte, verbonden aan [instantie 1], heeft ter zitting toegelicht dat de verdachte de afgelopen periode een groei heeft doorgemaakt. Hij is rustiger en volwassener geworden en hij is actief bezig met zijn toekomst. De verdachte is op dit moment al in behandeling bij [instantie 2] voor zijn agressieregulatie, psychische problematiek en cognitieve vaardigheden.
Toepassing van het jeugd- of volwassenenstrafrecht?
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren, maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De verdachte was 20 jaar oud toen hij het bewezen verklaarde feit pleegde. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht. De vraag is of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding is om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het reclasseringsadvies volgt dat het punitieve karakter van het volwassenenstafrecht beter aansluit bij de verdachte en dat er geen noodzaak wordt gezien voor het adviseren van interventies die enkel binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar zijn. Daarnaast bestaan er twijfels over de pedagogische beïnvloedbaarheid van de verdachte. Verder heeft de reclassering toegelicht dat de huidige hulpverlening in het kader van een veroordeling binnen het volwassenenstrafrecht kan worden uitgebreid, wat voor de verdachte wenselijk wordt geacht. De reclassering heeft daarom geadviseerd om de verdachte volgens het volwassenenstrafrecht te berechten.
Gelet op het advies van de reclassering en op het ASR-wegingskader ziet de rechtbank geen doorslaggevende grond voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het volwassenenstrafrecht.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor volwassenen.
Bij de bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat hij al eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank tilt ook zwaar aan het feit dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd tijdens verschillende lopende proeftijden van eerdere veroordelingen.
Daarnaast houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de aard van het toegepaste geweld en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De verdachte heeft zich zeer agressief opgesteld en fors geweld toegepast tegen het slachtoffer, waarbij hij niet uit eigen beweging met het geweld is gestopt, maar door verschillende omstanders moest worden aangesproken. Dat de verdachte door een willekeurige omstander werd aangesproken op zijn gedrag heeft hem er niet van weerhouden om het slachtoffer voor het ogen van die omstander – tot bloedens toe – in het gezicht en tegen het hoofd te slaan en te stompen. Daarbij heeft de verdachte zich tegen de omstanders brutaal en zelfs dreigend opgesteld. Bovendien gebeurde dit incident op klaarlichte dag in de openbare ruimte, een park, waarvan verschillende omstanders, waaronder kleine kinderen, ongewild getuige zijn geworden.
Gezien de aard en ernst van het feit, alsmede het feit dat de verdachte is gerecidiveerd, kan daarop naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank is van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de straf niet langer moet zijn dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de verdachte van het onder 1 laste gelegde feit wordt vrijgesproken, in afwijking van het standpunt van de officier van justitie.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht (12 dagen), passend en geboden vindt. Het resterende gedeelte van de straf (18 dagen) zal voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, en onder de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het locatiegebod met elektronische monitoring. De bijzondere voorwaarden zijn gericht op de voortzetting van de behandeling en begeleiding, als ook op het vinden en behouden van structuur en dagbesteding, zodat de verdachte de mogelijkheid krijgt om zich positief te ontwikkelen en langs die weg ook herhaling kan worden voorkomen.