ECLI:NL:RBDHA:2026:1032

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
NL25.40712
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.118b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen

Eiser heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de eerste en tweede reeds niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat hij internationale bescherming geniet in Duitsland en geen nieuwe relevante feiten heeft aangevoerd. De derde aanvraag, ingediend op 30 juli 2025, werd eveneens niet-ontvankelijk verklaard door de minister omdat geen nieuwe elementen werden aangevoerd.

Eiser stelde dat hij door een arrestatiebevel in Nigeria wordt gezocht en verwees naar de asielaanvragen van zijn echtgenote en kinderen in Nederland. De rechtbank oordeelde echter dat deze elementen niet relevant zijn voor zijn eigen aanvraag en dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen bescherming meer geniet in Duitsland.

Verder werd geoordeeld dat de 3-daagse procedure voor opvolgende asielaanvragen rechtmatig is en dat eiser geen schending van zijn recht op een eerlijk proces heeft ondervonden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat eiser onmiddellijk moet terugkeren naar Duitsland.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40712

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam]

V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd ten opzichte van zijn eerdere asielaanvragen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
22 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. [1]
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Het besluit en de voorgaande procedures

De procedure over de eerste en tweede asielaanvraag
3. Bij besluit van 7 maart 2022 heeft de minister de eerste asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming in Duitsland geniet. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 1 april 2022 door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, ongegrond verklaard. Ook het hoger beroep van eiser is op 23 juni 2022 ongegrond verklaard. Daarmee staat het besluit van 7 maart 2022 in rechte vast.
3.1.
Bij besluit van 23 mei 2024 heeft de minister de tweede asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. Het beroep dat eiser tegen de afwijzing heeft ingediend, heeft hij op
31 mei 2024 ingetrokken. Daarmee staat het besluit van 23 mei 2024 vast.
De opvolgende asielaanvraag
4. Eiser heeft op 30 juli 2025 wederom een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hierbij heeft eiser een arrestatiebevel overgelegd, waaruit zou blijken dat hij door de politie in Nigeria wordt gezocht. Ook heeft eiser gewezen op de asielaanvraag van zijn gestelde echtgenote en dochters die in Nederland door de minister wordt behandeld. Eiser heeft een huwelijksakte en geboorteaktes van zijn kinderen overgelegd. Eiser is van mening dat zijn asielaanvraag alsnog in Nederland moet worden behandeld.
Het bestreden besluit
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. Eisers eerste asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming in Duitsland heeft. De tweede aanvraag, omdat hij hierover geen relevante nieuwe feiten heeft aangedragen. De informatie waarmee eiser wil aantonen dat hij in Nigeria wordt vervolgd, is dan ook niet relevant. Betreffende de geboorte- en huwelijksaktes stelt de minister dat dit eisers derde asielaanvraag is en er geen ambtshalve toets plaatsvindt. Bovendien hebben zijn (gestelde) echtgenote en kinderen geen verblijfsrecht in Nederland. Eiser heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat hij geen internationale bescherming meer heeft in Duitsland. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

Over het als herhaald en ingelast beschouwen van de zienswijze
5. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijzen. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook alleen richten op wat eiser in beroep daarover heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst ter onderbouwing hiervan naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [2]
Geniet eiser nog internationale bescherming in Duitsland?
6. Eiser voert aan dat de minister niet heeft aangetoond dat eiser in Duitsland nog steeds internationale bescherming geniet. Hij stelt dat de minister, mede gelet op het tijdsverloop sinds de eerdere procedure, nader onderzoek had moeten doen naar het verblijfsrecht van eiser in Duitsland. De minister had niet mogen bepalen dat eiser terug zou moeten keren naar Duitsland.
7. De rechtbank overweegt dat in de procedure over de eerste asielaanvraag met de uitspraak van 23 juni 2022 in rechte is komen vast te staan dat eiser in Duitsland internationale bescherming geniet. Het enkele tijdsverloop sinds die uitspraak maakt niet dat op de minister nader onderzoek moet doen om aan te tonen dat eiser in Duitsland nog steeds internationale bescherming geniet. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat van de in Duitsland geboden internationale bescherming geen sprake meer zou zijn. Eisers enkele stelling dat hij geen internationale bescherming meer geniet, omdat hij al lang geleden uit Duitsland is vertrokken, is hiertoe onvoldoende. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat uit recent onderzoek van de minister van 18 september 2025 bovendien is gebleken dat eiser terug kan keren naar Duitsland. De beroepsgrond slaagt niet.
Asiel gerelateerde gronden en 3-daagse procedure
8. Eiser voert aan dat de 3-daagse asielprocedure geen eerlijke procedure is, omdat het voor een gemachtigde, gezien de drukte op zijn kantoor en de trage afhandeling van de post, niet mogelijk is om eiser uit te nodigen op kantoor en een zienswijze te schrijven en een 3-daagse procedure in te plannen. Er is geen wettelijke procedure om de asielaanvraag op deze manier af te handelen. Verder stelt eiser dat hij asiel gerelateerde gronden heeft aangevoerd op grond waarvan hij gehoord had moeten worden. Eiser voert hiertoe aan dat zijn echtgenote ook een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend en dat de redenen van zijn asielverzoek aansluiten bij de asielaanvraag van zijn vrouw.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eisers aanvraag in de 3-daagse procedure kan worden afgedaan op grond van artikel 3.118b van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister aan eiser tegemoet is gekomen door aan hem een ruimere termijn van één week te gegeven om op het voornemen te reageren. Van een schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag ter Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geen sprake. Daarnaast heeft de minister terecht gesteld dat hij bij een tweede of opvolgende asielaanvraag alleen beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor bescherming op één van de asielgronden. Gelet op hetgeen eiser op het M35-O heeft aangevoerd, is in zijn geval geen sprake van asielmotieven. De redenen die eiser aanvoert, geven op voorhand geen aanleiding om hem nader te horen. [3] Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Daarmee staat ook vast dat eiser onmiddellijk moet terugkeren naar Duitsland. Eiser krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, en 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1028.
3.Artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.