Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Overwegingen
Zicht op uitzetting
Ambtshalve toetsing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie legde op 2 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat hij niet op de hoogte was gesteld van het intrekkingsbesluit van zijn EU-verblijfsrecht van 23 oktober 2025. De rechtbank stelde vast dat het intrekkingsbesluit op 7 november 2025 aan eiser was uitgereikt met behulp van een Poolse tolk.
De minister voerde zware gronden aan, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte deze gronden en stelde dat hij bereid was Nederland te verlaten. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en dat ook de lichte gronden voldoende waren om de maatregel te dragen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast, mede gelet op het niet voldoen aan terugkeerverplichtingen en eerdere overlast. Ook was er zicht op uitzetting naar Polen binnen een redelijke termijn, met een vlucht gepland op 16 januari 2026.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en dat de ophouding binnen de wettelijke termijn had plaatsgevonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.