Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:1035

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
26-425
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 50 Vreemdelingenwet 2000Art. 50a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring en intrekking EU-verblijfsrecht ongegrond verklaard

De minister van Asiel en Migratie legde op 2 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de maatregel onrechtmatig was omdat hij niet op de hoogte was gesteld van het intrekkingsbesluit van zijn EU-verblijfsrecht van 23 oktober 2025. De rechtbank stelde vast dat het intrekkingsbesluit op 7 november 2025 aan eiser was uitgereikt met behulp van een Poolse tolk.

De minister voerde zware gronden aan, waaronder het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte deze gronden en stelde dat hij bereid was Nederland te verlaten. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en dat ook de lichte gronden voldoende waren om de maatregel te dragen.

Verder oordeelde de rechtbank dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast, mede gelet op het niet voldoen aan terugkeerverplichtingen en eerdere overlast. Ook was er zicht op uitzetting naar Polen binnen een redelijke termijn, met een vlucht gepland op 16 januari 2026.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en dat de ophouding binnen de wettelijke termijn had plaatsgevonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.425
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Eisers gemachtigde heeft zich wegens ziekte afgemeld. Als tolk is verschenen M.A. Kwasnik-Waardenburg. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Onrechtmatigheid van de ophouding (grondslag)
Eiser voert aan dat de minister de ophouding slechts heeft gebruikt om de inbewaringstelling mogelijk te maken. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw (de identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld en het bleek dat betrokkene geen rechtmatig verblijf had). Ondanks het feit dat eisers identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie vaststonden, is de ophouding pas na vijf uur opgeheven. Uit het dossier blijkt niet wanneer het identiteits- en verblijfsrechtelijk onderzoek is afgerond of waarom eiser na afronding daarvan niet onmiddellijk is heengezonden. Zo valt niet te beoordelen of de ophouding niet langer dan noodzakelijk heeft voortgeduurd.
De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw en de ophouding duurde van 16.10 uur tot 21.00 uur. Dit is binnen de gestelde termijn van 6 uur die volgt uit artikel 50a van de Vw. Hoewel niet gedetailleerd is
opgenomen wat tijdens de ophouding is gebeurd, is wel degelijk onderzoek verricht. Zo licht de minister ter zitting toe dat tijdens de ophouding systemen en registers zijn geraadpleegd, eiser is gehoord en een piketmelding is verzonden. Ook is eiser gehoord om te beoordelen of hij wel of niet in bewaring zou worden gesteld. Nadat de ophouding om 21.00 uur is opgeheven, is aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)
4. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is omdat het hieraan ten grondslag gelegde intrekkingsbesluit van 23 oktober 2025 nooit aan hem is uitgereikt. Eiser was dus niet op de hoogte dat zijn EU-verblijfsrecht was ingetrokken, dat hij niet langer rechtmatig verblijf in Nederland had en dat hij Nederland binnen één maand moest verlaten.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier blijkt dat het EU-verblijfsrecht van eiser bij besluit van 23 oktober 2025 is ingetrokken. Uit het dossier blijkt ook dat dit besluit op 7 november 2025 aan eiser is uitgereikt en dat de inhoud van dit besluit met behulp van een tolk in de Poolse taal aan eiser kenbaar is gemaakt. Gelet hierop is de maatregel van bewaring op de juiste grondslag aan eiser opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser betwist alle zware gronden en de lichte gronden onder 4c en 4d. Hiertoe voert eiser aan dat de maatregel van bewaring is gebaseerd op het besluit van 23 oktober 2025 dat op 7 november 2025 aan eiser zou zijn uitgereikt. Uit het dossier volgt echter niet dat eiser op de hoogte was van dit besluit waardoor eiser niet wist dat zijn verblijfsrecht in Nederland was beëindigd. Eiser heeft herhaaldelijk aangegeven dat hij zelfstandig en onmiddellijk uit Nederland wil vertrekken naar België. Dat eiser geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan is onafscheidelijk verbonden aan de kwetsbare positie van eiser en deze gronden kunnen de maatregel daarom niet dragen.
9. De minister heeft ter zitting de zware grond onder 3i laten vallen.
10. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden onder 3b en 3c feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Zoals in overweging 4 is vastgesteld, is hier sprake van een rechtsgeldig intrekkingsbesluit. Eiser is met behulp van een tolk op de hoogte gebracht dat zijn EU-verblijfsrecht is ingetrokken en dat hij niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De zware gronden 3b en 3c zijn hem daarom terecht tegengeworpen.
11. De rechtbank oordeelt dat ook de niet betwiste lichte grond onder 4a feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is. De zware gronden onder 3b en 3c en de lichte grond onder 4a zijn voldoende om aan te nemen dat er sprake is van een risico op onttrekking. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
12. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Er wordt slechts verwezen naar de tegengeworpen zware en lichte gronden. Daarbij zijn de medische omstandigheden van eiser niet kenbaar meegewogen.
13. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de zware gronden onder 3b en 3c van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiser niet heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting, niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, geen vaste woon-of verblijfplaats heeft en niet kan aantonen dat hij in België zou kunnen werken. Sinds eiser een terugkeerverplichting heeft, is niet gebleken dat hij hier gehoor aan heeft gegeven of wilt geven en is hij meerdere keren voorgekomen inzake overlast, dronkenschap en een zwervend bestaan. De medische omstandigheden van eiser zijn ook voldoende meegewogen in de maatregel van bewaring. In het detentiecentrum is een medische dienst beschikbaar en daarnaast ontvangt eiser de benodigde medicatie. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

14. Eiser voert aan dat de minister heeft nagelaten concreet te motiveren op welke termijn uitzetting naar Polen kan plaatsvinden. Daarmee ontbreekt het zicht op uitzetting naar Polen binnen een redelijke termijn voor eiser.
15. De rechtbank oordeelt dat voldoende blijkt dat er voor eiser zicht is op uitzetting naar Polen binnen een redelijke termijn. Op 6 januari 2026 is een vlucht voor eiser aangevraagd en deze vlucht staat gepland voor 16 januari 2026, waarbij rekening is gehouden met de Poolse luchthaven van eisers voorkeur. Hieruit volgt eveneens dat de minister voortvarend heeft gehandeld na eisers inbewaringstelling op 2 januari 2026. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

16. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 januari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.