Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10358

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
693434
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 AwArt. 2 lid 1 AwArt. 2 lid 3 AwArt. 3:83 lid 3 BWArt. 3:84 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen overdracht auteursrechten en geen schending bedrijfsgeheim bij samenwerking Clingendael en adviseur

De zaak betreft een geschil tussen een onafhankelijk adviseur gespecialiseerd in West-Afrika en het Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael over intellectuele eigendomsrechten en nakoming van een opdrachtovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat de opdrachtovereenkomsten geen overdracht van auteursrechten aan Clingendael bevatten. De rechten op de rapporten berusten bij de adviseur. Ook is geen sprake van een bedrijfsgeheim omdat Clingendael geen redelijke maatregelen heeft genomen om de informatie geheim te houden. Daarnaast is het gebruik van de door de adviseur zelf verzamelde informatie in een extern rapport geen inbreuk op databankenrecht.

Clingendael heeft geen recht op terugbetaling van eerder betaalde bedragen en moet de openstaande factuur van €7.000 betalen, vermeerderd met wettelijke handelsrente. De vorderingen van Clingendael worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Clingendael moet €7.000 betalen aan de adviseur, vorderingen van Clingendael worden afgewezen en Clingendael wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/693434 / HA ZA 25-924
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] (Frankrijk),
eiser in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J. Rieff,
tegen
STICHTING NEDERLANDS INSTITUUT VOOR INTERNATIONALE BETREKKINGEN "CLINGENDAEL", te Wassenaar,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: Clingendael,
advocaat: mr. J.J. Blanken.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 17 oktober 2025 van [eiser] met producties EP1 tot en met EP20;
  • de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van Clingendael van 10 december 2025 met producties GP1 tot en met GP39;
  • de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] van 21 januari 2026 met producties EP21 tot en met EP26;
  • de op 27 februari 2026 door Clingendael overgelegde aanvullende producties GP40 tot en met GP44;
  • de akte houdende overlegging aanvullende productie EP27 (kostenstaat) van [eiser] van 6 maart 2026;
  • de op verzoek van de rechtbank op 9 maart 2026 door [eiser] overgelegde nieuwe versies van de producties EP6, EP14 en EP15;
  • de akte houdende overlegging aanvullende productie en tevens houdende akte verandering/wijziging/precisering van de grondslag(en) van de eis van Clingendael van 12 maart 2026 met productie GP45 (kostenstaat), waarin zij haar eis heeft gewijzigd in die zin dat zij in conventie en reconventie een proceskostenvergoeding vordert ex artikel 1019h Rv
  • het op 13 maart 2026 ingediende bezwaar door [eiser] tegen de door Clingendael overgelegde productie GP45 en de eiswijziging;
  • de akte houdende overlegging aanvullende productie EP28 (aanvullende kostenstaat) van [eiser] van 13 maart 2026;
  • de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Op 16 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat over de toelaatbaarheid van de eiswijziging en de kostenstaat (productie G45) van Clingendael zo nodig in het vonnis wordt beslist.

2.De feiten

Partijen
2.1.
[eiser] is een onafhankelijk adviseur die gespecialiseerd is in vraagstukken met betrekking tot (on)veiligheid en ontwikkeling in West-Afrika.
2.2.
Clingendael is een denktank en opleidingsinstituut op het terrein van
internationale betrekkingen.
De samenwerking tussen partijen van 2022 tot en met 2024
2.3.
Van oktober 2022 tot en met december 2024 hebben Clingendael en [eiser] samengewerkt. Voor de jaren 2023 en 2024 hebben partijen overeenkomsten van opdracht gesloten. De overeenkomst van opdracht van 2023 (hierna: de opdrachtovereenkomst 2023) bepaalt, voor zover relevant, als volgt:
‘§1. [eiser] , hereafter ‘the Contractor’, will serve as a consortium partner to the Clingendael Institute. The activities will be part of the project:
[…]
On this project, the contractor will be working for the Clingendael Institute, represented by [naam] , […] of the Conflict Research Unit of the Clingendael Institute. The general Terms of Reference (ToR) for this project are attached to this contract (see Annex 1). The specific responsibilities and deliverables of the contractor and the Clingendael Institute towards the contractor are described in Annex 2.
[,,,]
§4. For the overall service provided, the Contractor will receive an amount of
€21,450 overall. In addition to this, a lumpsum amount of
€11,000will be provided to sustain a network of local consultants. […]
§5. The Clingendael Institute reserves the right to reduce its contribution, stop transfers permanently or claim repayment of all or part of the funds transferred if contractual obligations, including deadlines specified under §2, are not met or if it emerges that the funds are not being used or have not been used for the purposes for which the Clingendael Institute has made them available, or if alternative funding proves to have been acquired for the same activities which was not known to the Clingendael Institute. Reduction or termination will be initiated only after consultation with the Contractor, after which accounts will be settled on the basis of costs made and taking into account, within reasonable limits, financial obligations entered into by the Contractor for the future.
[…]
§9. All rights of usage, including all secondary rights, applying to the services and reports specified in §1 of this contract will be the property of the Clingendael Institute. The Contractor agrees not to use the reports for other purposes or publish the study either in hardcopy or electronic form without written authorisation from the Clingendael Institute.
[…]
§12. This agreement shall be subject to Netherlands law. All disputes that may arise concerning the interpretation and/or implementation of this letter after its due signature or concerning further agreements, which may result thereof and that cannot be settled amicably, shall be referred to the competent court in The Hague.’
2.4.
Bijlage 2 bij de opdrachtovereenkomst 2023 bevat een betaalschema. Hierin zijn partijen overeengekomen dat het bedrag dat [eiser] zou verkrijgen in het kader van de opdrachtovereenkomst 2023 betaald zou worden in verschillende delen. Betaling van die delen zou steeds plaatsvinden na het behalen door [eiser] van de in die bijlage beschreven mijlpalen (‘
milestones’). Dit betaalschema is bij addendum van 24 maart 2023 gewijzigd. Het addendum bepaalt, voor zover relevant, als volgt:
‘This addendum is agreed upon after noting that the original contract, signed by all parties on February 02 2023, contained information about the provision of the lumpsum payment of € 11,000 to sustain a network of local consultants (see §4) but is missing from the payment schedule found in Annex 2.
The original payment schedule has been revised to account for the inclusion of the lumpsum payment. It will be paid out upon after the completion of Milestone 1 and submission of an invoice. A letter confirming how proof of this allocation of money is accounted for is found in Annex 2 of this addendum.’
2.5.
De overeenkomst van opdracht van 2024 (hierna: de opdrachtovereenkomst 2024 en samen met de opdrachtovereenkomst 2023: de opdrachtovereenkomsten) bevat bepalingen die overeenkomen met de in 2.3 genoemde bepalingen uit de opdrachtovereenkomst 2023, met uitzondering van niet-materiële verschillen in §4. Net als bij de opdrachtovereenkomst 2023 bevat de opdrachtovereenkomst 2024 een bijlage 2 waarin een betaalschema is opgenomen, uitgaande van betaling in delen na het behalen van mijlpalen, in totaal vier. Met betrekking tot de vierde mijlpaal is daarin het volgende bepaald:
2.6.
In het kader van de opdrachtovereenkomsten monitorde [eiser] voor Clingendael geweldsincidenten in West-Afrika. Dit deed hij samen met twee andere rapporteurs. [eiser] ontving informatie over geweldsincidenten via Whatsapp van personen uit een door hem in West-Afrika opgebouwd netwerk. Hij rapporteerde deze informatie vervolgens wekelijks (in het Frans) aan Clingendael. Dit deed hij door zijn informatie toe te voegen aan rapporten waarin ook informatie van de overige twee rapporteurs was opgenomen. Een voorbeeld van (een deel van) zo’n wekelijks rapport is hieronder weergegeven. De bijdragen van [eiser] zijn vetgedrukt.
De onderhandelingen over de concept-opdrachtovereenkomst van 2025
2.7.
Eind 2024 hebben partijen onderhandeld over een vervolgovereenkomst voor 2025. Die onderhandelingen vonden plaats tussen [eiser] en [naam] (hierna: [naam] ) namens Clingendael. In het kader van die onderhandelingen heeft Clingendael [eiser] een eerste concept-opdrachtovereenkomst gestuurd. Tijdens die onderhandelingen over dit concept heeft [naam] [eiser] verzocht om, bij een tijdelijke of definitieve beëindiging van de samenwerking tussen partijen, Clingendael te introduceren binnen het door [eiser] opgebouwde netwerk in West-Afrika. [eiser] heeft [naam] daarop laten weten hiervoor niet open te staan.
2.8.
Op 28 januari 2025 stuurt Clingendael [eiser] een tweede concept-opdrachtovereenkomst voor 2025. Dit concept, waarin [eiser] is aangeduid als ‘the contractor’, bevat de volgende bepaling:
‘As part of the working agreements between the contractor and the Clingendael Institute, context-sensitive information will be shared providing some insight into the composition of this network. The level of detail required is subject to discussion. If the current agreement between the consultant and Clingendael Institute stops, provisions are in place for which the consultant will facilitate a handover of the networks.’
2.9.
Partijen hebben vervolgens nader gecorrespondeerd over dit tweede concept. [eiser] heeft [naam] laten weten dat de hiervoor geciteerde bepaling voor hem niet akkoord is. [naam] heeft namens Clingendael het standpunt ingenomen dat het introduceren van Clingendael in het netwerk van [eiser] bij het eindigen van de samenwerking vanaf het begin van de samenwerking tussen partijen al een vereiste was en dat het opnemen van de clausule in het tweede concept slechts een vastlegging van die afspraak was.
2.10.
Op 31 januari 2025 deelt [naam] aan [eiser] mee dat “
no payments will be made […] until intros are made or this point is solved.” Clingendael heeft vervolgens de factuur van [eiser] van 30 december 2024 voor een bedrag van € 7.000,- met betrekking tot de vierde mijlpaal van de opdrachtovereenkomst 2024 (zie 2.5 hiervoor) niet betaald.
Het KAS-rapport
2.11.
[eiser] is in april 2024 een samenwerking aangegaan met het Konrad-Adenauer-Stiftung e.V. (hierna: KAS). In het kader van deze samenwerking heeft [eiser] een rapport geschreven over de opkomst van jihadistische groeperingen in West-Afrika (hierna: het KAS-rapport). Het KAS-rapport is in maart 2025 online gepubliceerd.
Correspondentie tussen partijen
2.12.
Op 18 april 2025 stuurt Clingendael via haar advocaat een sommatiebrief aan [eiser] waarin zij stelt dat het KAS-rapport gebruikmaakt van gegevens die eigendom zijn van Clingendael, dat [eiser] hiermee artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten heeft geschonden en dat zij [eiser] aansprakelijk houdt voor alle schade die Clingendael daardoor lijdt of zal lijden.
2.13.
Bij brief van 28 april 2025 reageert [eiser] via zijn toenmalige advocaat. Hij betwist daarin dat [eiser] de opdrachtovereenkomsten en/of intellectuele eigendomsrechten van Clingendael heeft geschonden. [eiser] vordert daarin eveneens betaling van de openstaande factuur in het kader van de vierde mijlpaal van de opdrachtovereenkomst 2024.
2.14.
Partijen hebben vervolgens nader gecorrespondeerd over het geschil. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [eiser] kale nieuwsfeiten die hij heeft verkregen of nog zal verkrijgen, al dan niet uit zijn netwerk, mag gebruiken voor derden en dat dit gebruik geen inbreuk maakt op rechten van Clingendael;
II. voor recht verklaart dat [eiser] door het schrijven van het KAS-rapport geen auteursrechtinbreuk maakt met het gebruiken van nieuwsfeiten en trends die ook aan Clingendael zijn gerapporteerd;
III. Clingendael veroordeelt tot betaling van €7.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf 30 december 2024, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen vonnis; en
IV. Clingendael veroordeelt tot betaling van de proceskosten in de zin van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat Clingendael geen auteursrechten toekomt op nieuwsfeiten die [eiser] aan haar heeft gerapporteerd in het kader van de opdrachtrelatie. Noch op de kale nieuwsfeiten, noch op de toevoegingen van [eiser] aan de wekelijkse rapporten (zie 2.6 hiervoor) rust auteursrecht, nu niet is voldaan aan de werktoets; de beschrijving van nieuwsfeiten weerspiegelen niet de persoonlijkheid van [eiser] en hij heeft geen creatieve keuzes gemaakt. Voor zover hierop wel auteursrecht zou rusten, is dit auteursrecht niet aan Clingendael overgedragen op grond van artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten. Voor zover de auteursrechten wel aan Clingendael zijn overgedragen, heeft [eiser] hierop met het KAS-rapport geen inbreuk gemaakt; de elementen die uitdrukking geven aan de keuzen die zijn persoonlijkheid weerspiegelen zijn niet op herkenbare wijze in het KAS-rapport overgenomen. Met betrekking tot de openstaande factuur geldt dat Clingendael verplicht is om het daarin opgenomen bedrag van € 7.000,- aan [eiser] te betalen. [eiser] heeft voldaan aan al zijn verplichtingen in het kader van de vierde mijlpaal van de opdrachtovereenkomst 2024 en er is geen reden om betaling te weigeren.
3.3.
Clingendael voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Clingendael vordert – zakelijk weergegeven en uitgaande van de nummering van Clingendael – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
2. voor recht verklaart dat [eiser] , door het gebruik van de aan Clingendael gerapporteerde informatie in het KAS-rapport, inbreuk heeft gemaakt op het aan Clingendael toekomende auteursrecht;
3. [eiser] verbiedt deze auteursrechtelijk beschermde informatie, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Clingendael, (nog langer) te gebruiken of openbaar te maken, op straffe van een dwangsom;
4. voor recht verklaart dat de informatie die [eiser] op grond van de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael heeft gerapporteerd kwalificeert als bedrijfsgeheim in de zin van de Wbbg [2] ;
5. voor recht verklaart dat [eiser] deze bedrijfsgeheimen zonder toestemming van Clingendael onrechtmatig heeft gebruikt en openbaar heeft gemaakt, als bedoeld in artikel 2 lid 2 onder Pro c Wbbg;
6. [eiser] verbiedt deze bedrijfsgeheimen (verder) te gebruiken of openbaar te maken, op grond van artikel 6 lid 1 onder Pro a Wbbg, op straffe van een dwangsom;
7. voor recht verklaart dat de door [eiser] aan Clingendael gerapporteerde verzameling van incidenten kwalificeert als een databank in de zin van artikel 1 sub a Dw Pro [3] , en dat [eiser] – zonder toestemming van Clingendael – ((substantiële) delen van) de inhoud van deze databank heeft opgevraagd en hergebruikt door deze op te nemen in het KAS-rapport;
8. [eiser] te verbiedt ((substantiële) delen van) de inhoud van de door Clingendael samengestelde databank, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Clingendael, (nog langer) op te vragen en te hergebruiken, op straffe van een dwangsom;
9. [eiser] veroordeelt tot betaling van € 46.050,- aan Clingendael, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf vier weken na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;
10. [eiser] veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
3.6.
Clingendael legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag:
  • Auteursrecht: de door [eiser] aan Clingendael gerapporteerde nieuwsfeiten zijn uitsluitend kenbaar via de ten behoeve van Clingendael opgestelde rapporten. Deze rapporten (en dus de daarin beschreven nieuwsfeiten) zijn auteursrechtelijk beschermd; uit de specifieke vormgeving en de beschrijving van de daarin opgenomen incidenten blijkt dat vrije en creatieve keuzes zijn gemaakt, die de persoonlijkheid van [eiser] weerspiegelen. Dit auteursrecht is op grond van artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael overgedragen. Op dit auteursrecht heeft [eiser] met het opstellen en publiceren van het KAS-rapport inbreuk gemaakt. In het KAS-rapport zijn immers de creatieve elementen van de ten behoeve van Clingendael opgestelde rapporten op een herkenbare wijze overgenomen.
  • Bedrijfsgeheimen: de informatie die [eiser] op grond van de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael heeft gerapporteerd moeten worden aangemerkt als bedrijfsgeheimen in de zin van de Wbbg. [eiser] heeft deze bedrijfsgeheimen, zonder toestemming van Clingendael, gebruikt in het KAS-rapport en daarmee onrechtmatig gebruikt en openbaar gemaakt.
  • Databankenrecht: de verzameling van incidenten die aan Clingendael zijn gerapporteerd kunnen worden aangemerkt als een databank in de zin van artikel 1 sub a Dw Pro. [eiser] heeft zonder toestemming van Clingendael (substantiële delen van) de inhoud van de databank opgevraagd en hergebruikt door de gegevens op te nemen in het KAS-rapport.
  • Schadevergoeding: [eiser] is een bedrag van € 46.050,- aan schadevergoeding verschuldigd:
o primair op grond van artikel 5 van Pro de opdrachtovereenkomsten. [eiser] heeft zijn verplichtingen onder die overeenkomsten geschonden, door (i) te weigeren de overeengekomen introducties binnen het door Clingendael gefinancierde netwerk te verzorgen en (ii) in strijd te handelen met artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten, door zonder toestemming van Clingendael gebruik te maken van aan Clingendael toebehorende gegevens voor het opstellen van het KAS-rapport;
o subsidiair op grond van artikel 8 Wbbg Pro, omdat [eiser] wist dan wel had moeten weten dat hij bedrijfsgeheimen van Clingendael onrechtmatig heeft gebruikt en openbaar gemaakt door deze in het KAS-rapport op te nemen; en
o meer subsidiair op grond van artikel 6:74 BW Pro [4] , nu [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere verbintenissen.
3.7.
[eiser] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Clingendael in de proceskosten overeenkomstig artikel 1019h Rv en 1019ie Rv, vermeerderd met wettelijke rente.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.
De rechtbank is op grond van artikel 4 Brussel Pro I bis-Vo [5] en artikel 99 Rv Pro internationaal en relatief bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] in conventie gebaseerd op het auteursrecht, gelet op de vestigingsplaats van Clingendael te Wassenaar. Voor de vordering in conventie op grond van de opdrachtovereenkomsten is de rechtbank Den Haag bevoegd ingevolge artikel 25 Brussel Pro I bis-Vo en §12 van de opdrachtovereenkomsten, waarin partijen een forumkeuze voor de rechtbank Den Haag hebben gemaakt. Op grond van artikel 8 lid 3 Brussel Pro I bis-Vo is de rechtbank ook bevoegd om van de vorderingen van Clingendael in reconventie kennis te nemen. Partijen hebben de bevoegdheid van de rechtbank in conventie en reconventie overigens ook niet betwist.
4.2.
Op de vorderingen van partijen in conventie en reconventie gebaseerd op de opdrachtovereenkomsten is Nederlands recht van toepassing, omdat de opdrachtovereenkomsten op grond van §12 daarvan door Nederlands recht worden beheerst. Op grond van artikel 4 lid 1 Rome Pro II-Vo [6] is Nederlands recht ook van toepassing op de vorderingen van partijen in conventie en reconventie gebaseerd op het auteursrecht, de bescherming van bedrijfsgeheimen en het databankenrecht. De schade als gevolg van schending van die rechten heeft zich voorgedaan bij Clingendael, gevestigd in Wassenaar.
Auteursrecht
4.3.
Voor de beoordeling van de vorderingen die (enkel) betrekking hebben op het auteursrecht (vordering II in conventie en vorderingen 2 en 3 in reconventie), zal de rechtbank eerst ingaan op de vraag of de opdrachtovereenkomsten voorzien in de overdracht van auteursrechten van [eiser] aan Clingendael. Voor zover dat niet zo is, hoeft de rechtbank niet in te gaan op de vraag of auteursrecht rust op de ten behoeve van Clingendael opgestelde rapporten (hierna steeds: de rapporten) en/of de daarin opgenomen nieuwsfeiten.
Juridisch kader
4.4.
Op grond van artikel 1 Aw Pro [7] komt het auteursrecht op een werk toe aan de maker of zijn/haar rechtverkrijgenden. Op grond van artikel 7 Aw Pro wordt een werkgever als maker aangemerkt indien een werk in dienstbetrekking is vervaardigd. Artikel 7 Aw Pro is niet van toepassing op een overeenkomst van opdracht, ook niet wanneer daarbij instructies worden gegeven. [8]
4.5.
Auteursrechten zijn vermogensrechten die overdraagbaar zijn (artikel 2 lid 1 Aw Pro in verbinding met artikel 3:83 lid 3 BW Pro). Overdracht van auteursrechten geschiedt door levering krachtens een geldige titel, verricht door een beschikkingsbevoegde (rechts)persoon (artikel 3:84 lid 1 BW Pro). Auteursrechten worden op grond van artikel 2 lid 3 Aw Pro in verbinding met artikel 3:95 BW Pro geleverd door een daartoe bestemde (authentieke of onderhandse) akte. Daarin moet het over te dragen goed in voldoende mate worden bepaald (artikel 3:84 lid 2 BW Pro). Overdracht van auteursrecht op nog niet bestaande werken is mogelijk (artikel 3:97 BW Pro). [9] Bij de uitleg van de inhoud van de akte geldt de maatstaf die volgt uit het Haviltex-arrest. [10] Die maatstaf houdt in dat het bij de uitleg van de overeenkomst niet alleen gaat om de taalkundige betekenis van de bepalingen van de overeenkomst, maar dat het ook aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen ze te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.
Geen overdracht van auteursrechten
4.6.
De rechtbank constateert dat [eiser] diensten heeft verricht voor Clingendael in het kader van de opdrachtovereenkomsten. Voor zover [eiser] auteursrechtelijk beschermde werken heeft gecreëerd bij de uitvoering van de opdrachten, is [eiser] de maker van die werken in de zin van artikel 1 Aw Pro en dus auteursrechthebbende op die werken.
4.7.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de auteursrechten aan Clingendael zijn overgedragen in de zin van artikel 2 lid 1 Aw Pro in verbinding met artikel 3:84 BW Pro. Volgens Clingendael voorziet artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten in de overdracht van auteursrechten. Desgevraagd heeft Clingendael ter zitting toegelicht dat partijen met deze bepaling bedoeld hebben om de overdracht van alle rechten te regelen, dat wil zeggen alle rechten die van toepassing zijn op de diensten die [eiser] in het kader van de opdrachtovereenkomsten heeft verricht en de rapporten die hij in het kader daarvan heeft opgesteld, en dus ook de eventuele auteursrechten. [eiser] betwist dat artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten voorziet in de overdracht van auteursrechten.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. Een gezichtspunt bij de uitleg van een bepaling uit een overeenkomst wordt gevormd door de bewoordingen van het beding. De wederzijdse verwachtingen van partijen zijn mede op de formulering van die tekst gebaseerd. De tekst van de eerste zin van artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten bepaalt: ‘
All rights of usage, including all secondary rights, applying to the services and reports specified in §1 of this contract will be the property of the Clingendael Institute’. Uit deze bepaling blijkt dus dat alle rechten van gebruik, inclusief alle secundaire rechten, die van toepassing zijn op de diensten die zijn verricht en de rapporten die zijn opgesteld in het kader van de opdrachtovereenkomsten, vallen in het vermogen van Clingendael. Naar het oordeel van de rechtbank zijn met de woorden ‘
all rights of usage’, ofwel alle rechten van gebruik, geen auteursrechten bedoeld. Auteursrechten zijn (intellectuele) eigendomsrechten en geen gebruiksrechten (dat wil zeggen: rechten om van een goed of een zaak van een ander gebruik te maken). Een omstandigheid die de rechtbank hierbij betrekt is dat het hier gaat om een overeenkomst tussen professionele partijen, waarbij uit de uitlatingen van Clingendael tijdens de mondelinge behandeling volgt dat zij veelvuldig dit soort overeenkomsten sluit. Ook met de woorden ‘
all secondary rights’, ofwel alle secundaire rechten, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen auteursrechten bedoeld. Uit het daaraan voorafgaande woord ‘
including’, ofwel inclusief, blijkt dat met secundaire rechten ook gebruiksrechten bedoeld zijn. De uitleg die Clingendael aan deze bepaling geeft, namelijk dat bedoeld zou zijn om alle rechten over te dragen en dus ook (intellectuele) eigendomsrechten, wijst de rechtbank van de hand. Dit volgt niet uit de tekst van de opdrachtovereenkomsten. Clingendael heeft – tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser] – geen stukken overgelegd of anderszins voldoende gemotiveerd omstandigheden gesteld die een dergelijke, van de tekst afwijkende, uitleg kunnen onderbouwen.
4.9.
De tekst van de tweede zin van artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten luidt: ‘
The Contractor agrees not to use the reports for other purposes or publish the study either in hardcopy or electronic form without written authorisation from the Clingendael Institute.’ Ook op deze bepaling heeft Clingendael zich beroepen ter onderbouwing van het standpunt dat een overdracht van auteursrechten heeft plaatsgevonden. Uit de geciteerde tekst volgt een (verbintenisrechtelijke) verplichting voor [eiser] om de rapporten niet voor andere doeleinden te gebruiken, of om de rapporten te publiceren, zonder toestemming van Clingendael. Deze zin gaat niet over de overdracht van auteursrechten. Bij dit oordeel heeft de rechtbank ook de context betrokken waarin deze bepaling is opgenomen. In het eerste lid van artikel 9 zijn Pro gebruiksrechten verleend (zie hiervoor in 4.8). In het verlengde daarvan komt een bepaling zoals het tweede lid, waarin degene die dergelijke rechten verleent zich verbindt om de bevoegdheid niet zelf uit te oefenen, niet onlogisch voor.
4.10.
Artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten voorziet dus niet in de overdracht van auteursrechten. Een andere basis voor overdracht van auteursrechten van [eiser] aan Clingendael is niet kenbaar gesteld en daarvan is ook niet gebleken. De rechtbank hoeft hierdoor niet meer in te gaan op de vraag of de rapporten en/of de nieuwsfeiten auteursrechtelijk beschermde werken zijn. [11] Voor zover dat al zo is, rusten de auteursrechten op die werken bij [eiser] en niet bij Clingendael. [eiser] heeft daarom, door het opstellen van het KAS-rapport, ook geen inbreuk kunnen maken (en gemaakt) op auteursrechten waarop Clingendael zich beroept. De rechtbank zal daarom de door Clingendael gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] met het gebruik van de aan Clingendael gerapporteerde informatie in het KAS-rapport inbreuk heeft gemaakt op haar auteursrecht (vordering 2 in reconventie) afwijzen, net als het door Clingendael gevorderde en op haar vermeende auteursrecht gestoelde verbod op het gebruik althans de openbaarmaking van die informatie (vordering 3 in reconventie).
4.11.
De rechtbank zal eveneens de door [eiser] gevorderde (negatieve) verklaring voor recht afwijzen (vordering II in conventie), te weten dat [eiser] geen inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van Clingendael. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende belang bij deze vordering. Volgens [eiser] is zijn belang bij deze verklaring voor recht erin gelegen dat Clingendael aanspraak maakt op haar auteursrechten die volgens haar op de rapporten en de daarin opgenomen nieuwsfeiten rusten, waardoor [eiser] wordt beperkt in zijn overige werkzaamheden voor derden en daarmee inkomsten misloopt. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat Clingendael geen auteursrechten heeft op de rapporten en/of de daarin opgenomen informatie, is er geen grond voor Clingendael om nog aanspraak te maken op (het bestaan van en de inbreuk op) die rechten. Hierdoor is ook niet te verwachten dat [eiser] nog zal worden beperkt in zijn werkzaamheden voor derden en daarmee inkomsten misloopt.
Bedrijfsgeheimen
4.12.
De rechtbank komt vervolgens toe aan de vorderingen van Clingendael gebaseerd op de Wbbg. Clingendael vordert verklaringen voor recht dat (i) de informatie die [eiser] op grond van de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael heeft gerapporteerd kwalificeert als bedrijfsgeheim (vordering 4 in reconventie) en (ii) [eiser] deze bedrijfsgeheimen zonder toestemming van Clingendael heeft gebruikt en openbaar heeft gemaakt (vordering 5 in reconventie). Verder vordert Clingendael een verbod op het gebruik of openbaarmaking van de bedrijfsgeheimen (vordering 6 in reconventie).
4.13.
De rechtbank zal eerst beoordelen of de informatie die [eiser] op grond van de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael heeft gerapporteerd kwalificeert als bedrijfsgeheim in de zin van de Wbbg. Op grond van artikel 1 Wbbg Pro wordt onder bedrijfsgeheim verstaan, informatie die aan de volgende voorwaarden voldoet:
zij is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met dergelijke informatie;
zij bezit handelswaarde omdat zij geheim is, en
zij is door degene die daar rechtmatig over beschikt, onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden.
4.14.
Naar het oordeel van de rechtbank is met betrekking tot de informatie die [eiser] op grond van de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael heeft gerapporteerd niet voldaan aan de voorwaarde onder c. De informatie is door Clingendael niet onderworpen aan redelijke maatregelen om deze geheim te houden. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.15.
Onder redelijke maatregelen om de informatie geheim te houden worden zowel contractuele als technische maatregelen begrepen. [12] Clingendael stelt in dit kader dat uit de aard en het doel van de samenwerking een impliciete geheimhoudingsplicht voor [eiser] zou volgen. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat de opdracht tot het verwerken en verifiëren van informatie over nieuwsincidenten ten opzichte van Clingendael een impliciete geheimhoudingsplicht meebrengt. Het had op de weg van Clingendael gelegen om haar stelling, gelet op die betwisting, nader toe te lichten. Bovendien is het aan Clingendael, om redelijke maatregelen te nemen om hetgeen onder die beweerdelijke impliciet geheimhoudingsplicht zou vallen met het oog op de bescherming van bedrijfsgeheimen expliciet vast te leggen. [13] Tussen partijen is niet in geschil dat er geen contractuele maatregelen zijn genomen om informatie geheim te houden. In de opdrachtovereenkomsten is immers geen geheimhoudingsbepaling opgenomen. Ook een andere expliciete vastlegging is gesteld noch gebleken.
4.16.
Ook van redelijke technische maatregelen is in dit geval geen sprake. Niet gebleken is dat [eiser] gebonden is aan het ‘Security Protocol’ van Clingendael, waaruit volgens Clingendael een strikt beveiligingsregime zou volgen. [eiser] heeft dit ‘Security Protocol’ immers niet getekend en ook in de (wel door hem getekende) opdrachtovereenkomsten is dit protocol niet van toepassing verklaard en/of als bijlage aangehecht. [14] Daarbij komt dat het protocol alleen in algemene zin bepaalt welke middelen voor communicatie moeten worden gebruikt. Het protocol voorziet dus niet specifiek in de geheimhouding van de informatie die [eiser] op grond van de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael heeft gerapporteerd.
4.17.
Omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van redelijke maatregelen (voorwaarde c. genoemd in 4.13), is al geen sprake van een bedrijfsgeheim in de zin van de Wbbg. Daarmee kan de rechtbank de vraag of in dit geval voldaan is aan de overige voorwaarden (voorwaarden a. en b. genoemd in 4.13) onbeantwoord laten.
4.18.
De conclusie uit het voorgaande is dat de informatie die [eiser] op grond van de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael heeft gerapporteerd niet kwalificeert als een bedrijfsgeheim. Hierdoor is ook geen sprake van onrechtmatig gebruik van bedrijfsgeheimen en is voor een verbod op het gebruik daarvan geen plaats. De rechtbank zal de vorderingen 4, 5 en 6 van Clingendael in reconventie daarom afwijzen.
Databankenrecht
4.19.
Als vordering 7 in reconventie vordert Clingendael een verklaring voor recht dat de door [eiser] aan Clingendael gerapporteerde verzameling van incidenten kwalificeert als een databank en dat [eiser] de inhoud van deze databank heeft opgevraagd en hergebruikt door deze op te nemen in het KAS-rapport. Als vordering 8 in reconventie vordert Clingendael een verbod op het verder opvragen en hergebruiken van die databank.
4.20.
De rechtbank kan het antwoord op de vraag of de door [eiser] aan Clingendael gerapporteerde verzameling van incidenten kwalificeert als een databank in het midden laten. Voor het geval de gerapporteerde verzameling als zodanig zou moeten worden beschouwd, is niet komen vast te staan dat sprake is van het opvragen en/of hergebruiken daarvan door [eiser] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.21.
Op grond van artikel 2 lid 1 onder Pro a Dw heeft de producent van een databank het uitsluitend recht om toestemming te verlenen voor het opvragen of hergebruiken van het geheel of een in kwalitatief of kwantitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van de databank. Van opvraging of hergebruik (van een substantieel gedeelte van een
databank) is alleen sprake in geval van ontlening. Dit volgt uit de begrippen zelf:
als niet wordt ontleend, wordt ook niet opgevraagd of hergebruikt. Wanneer
de gegevens zelfstandig zijn verzameld, is geen sprake van ontlening.
4.22.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van ontlening, nu [eiser] de informatie over de geweldsincidenten in West-Afrika zelf heeft verzameld, namelijk via zijn eigen netwerk. Voor zover die informatie onder de opdrachtovereenkomsten viel, heeft hij die aan Clingendael gerapporteerd. Dezelfde door hem verzamelde informatie heeft hij later ook gebruikt bij het opstellen van het KAS-rapport. Dit vormt de verklaring voor de beweerdelijke gelijkenissen tussen passages uit de rapporten, waarop Clingendael ter staving van haar stelling dat sprake is van ontlening heeft gewezen. [15] Omdat [eiser] deze informatie zelf heeft verzameld, is geen sprake van ontlening, en daarmee ook niet van opvraging of hergebruik in de zin van artikel 2 lid 1 onder Pro a Dw. De rechtbank zal de vorderingen 7 en 8 van Clingendael in reconventie dus afwijzen.
Nakoming betalingsverplichting
4.23.
[eiser] vordert betaling van de openstaande factuur ten bedrage van € 7.000,-. (vordering III in conventie). Hij baseert zijn vordering op nakoming van de opdrachtovereenkomst 2024, nu hij heeft voldaan aan alle werkzaamheden in het kader van de vierde mijlpaal van het betaalschema zoals opgenomen in bijlage 2 van die overeenkomst (zie 2.5 hiervoor).
4.24.
Clingendael heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat [eiser] heeft voldaan aan alle werkzaamheden in het kader van de vierde mijlpaal van het overeengekomen betaalschema. Zij is de daaruit voortvloeiende en gefactureerde betaling echter niet verschuldigd aan [eiser] , op grond van artikel 5 van Pro de opdrachtovereenkomsten, nu [eiser] zijn contractuele verplichtingen niet is nagekomen en hij door Clingendael gefinancierde informatie heeft aangewend voor andere doeleinden dan de overeengekomen werkzaamheden. [eiser] heeft immers geweigerd om, na beëindiging van de samenwerking, introducties binnen zijn netwerk te verzorgen. Verder heeft [eiser] , door het gebruikmaken van aan Clingendael toebehorende data voor het KAS-rapport, artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten geschonden en door Clingendael gefinancierde informatie aangewend voor andere doeleinden dan de overeengekomen werkzaamheden, aldus steeds Clingendael.
[eiser] heeft geen verplichting om Clingendael te introduceren in zijn netwerk
4.25.
Clingendael baseert haar standpunt dat [eiser] een verplichting heeft om zijn netwerk na beëindiging van de samenwerking aan Clingendael over te dragen op (i) de opdrachtovereenkomsten, waaronder ook het addendum bij de opdrachtovereenkomst 2023, (ii) een afspraak die besloten ligt in diverse gedragingen en communicatie tussen [eiser] en Clingendael en (iii) de omstandigheid dat Clingendael dit netwerk heeft bekostigd.
4.26.
De rechtbank overweegt ten aanzien van (i) als volgt. Uit de opdrachtovereenkomsten blijkt geen verplichting voor [eiser] tot introductie van Clingendael in zijn netwerk na beëindiging van de samenwerking. In de opdrachtovereenkomst 2023 is met betrekking tot het netwerk van [eiser] in §4 bepaald dat [eiser] een bedrag van € 11.000,- krijgt ‘
to sustain a network of local consultants’. Het bedrag was dus bedoeld voor het onderhouden van (‘
to sustain’) een netwerk; hieruit volgt geen verplichting tot introductie van Clingendael in dat netwerk bij beëindiging van de samenwerking. Aangezien het bedrag van € 11.000,- miste in het betaalschema van bijlage 2 bij de originele opdrachtovereenkomst 2023 is het addendum opgesteld. Dit addendum veranderde dus niets aan de verplichtingen van [eiser] onder de opdrachtovereenkomst 2023.
4.27.
De rechtbank overweegt ten aanzien van (ii) als volgt. Clingendael heeft ter onderbouwing van de afspraak meerdere berichten en verslagen van gesprekken tussen [eiser] en [naam] namens Clingendael overgelegd. Uit geen van die berichten en/of gesprekken kan de rechtbank afleiden dat tussen partijen wilsovereenstemming bestond over een afspraak op grond waarvan [eiser] een verplichting op zich heeft genomen tot introductie van Clingendael in zijn netwerk na beëindiging van de samenwerking. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Clingendael het bestaan van een afspraak die besloten ligt in diverse gedragingen en communicatie tussen [eiser] en Clingendael, mede gelet op de uitgebreide betwisting van [eiser] op dit punt, dan ook onvoldoende onderbouwd.
4.28.
Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van (iii) als volgt. De rechtbank volgt Clingendael niet in haar argument dat het ‘volstrekt begrijpelijk’ was dat Clingendael blijvende toegang wenste tot het netwerk dat zij heeft bekostigd. Deze in absolute termen geformuleerde stelling wordt al ondergraven door het feit dat Clingendael reeds een tegenprestatie heeft ontvangen voor het geld dat zij heeft besteed aan (het onderhouden van) het netwerk van [eiser] , te weten de informatie die [eiser] uit dit netwerk heeft ontvangen en die hij vervolgens aan Clingendael heeft gerapporteerd. Bij het aangaan van de eerste overeenkomst met Clingendael beschikte [eiser] al over een netwerk. Anders dan Clingendael heeft betoogd, brengt het bijdragen aan het onderhouden van dit netwerk (zodat hij de door Clingendael gewenste informatie uit dat netwerk kon ontvangen en doorgeven) geen enkel recht van Clingendael op dat netwerk mee en evenmin een verplichting van [eiser] tot het introduceren van Clingendael in dat netwerk.
4.29.
De conclusie uit het voorgaande is dat niet gebleken is van het bestaan van een afspraak tussen [eiser] en Clingendael op grond waarvan [eiser] de verplichting had om Clingendael te introduceren in zijn netwerk bij de beëindiging van de samenwerking tussen partijen.
Geen gebruikmaken van aan Clingendael toebehorende gegevens voor het KAS-rapport
4.30.
Evenmin is gebleken dat [eiser] artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten heeft geschonden.
4.31.
Voor zover in het KAS-rapport dezelfde nieuwsfeiten voorkomen als eerder gerapporteerd aan Clingendael, geldt dat hiervoor onder 4.8 reeds is geoordeeld dat Clingendael op grond van artikel 9 eerste Pro zin van de opdrachtovereenkomsten geen rechthebbende is geworden van eventuele op die gegevens rustende auteursrechten. Hieruit kan ook niet worden afgeleid dat [eiser] de rapporten in strijd met de tweede zin van artikel 9 van Pro de opdrachtovereenkomsten (zie hiervoor 4.9) voor andere doeleinden heeft gebruikt zonder toestemming van Clingendael. [eiser] heeft immers zelf de informatie over die gebeurtenissen verzameld, zodat de rechtbank aanneemt – nu de bewoordingen uit de voor Clingendael opgestelde rapporten niet letterlijk zijn overgenomen – dat slechts sprake is geweest van (her)gebruik van de door hemzelf verzamelde informatie (zie ook 4.22 hiervoor) en niet van de voor Clingendael opgestelde rapporten.
Geen aanwending ontvangen gelden voor andere doeleinden
4.32.
Ook het beroep van Clingendael op artikel 5 van Pro de opdrachtovereenkomsten op grond van de aanwending van ontvangen gelden voor andere doeleinden strandt, aangezien zij naar het oordeel van de rechtbank uitgaat van een verkeerde lezing van dit artikel. Daarin staat namelijk niet dat door Clingendael
gefinancierde informatieniet mag worden aangewend voor andere doeleinden dan de overeengekomen werkzaamheden. Er staat dat Clingendael zich het recht heeft voorbehouden om de bijdrage van [eiser] te verlagen of overmakingen definitief stop te zetten als blijkt dat
de geldenniet worden of zijn gebruikt voor de doeleinden waarvoor Clingendael deze ter beschikking heeft gesteld (‘
if it emerges that the funds are not being used or have not been used for the purposes for which the Clingendael Institute has made them available’). Dat [eiser] enige onder de opdrachtovereenkomsten ontvangen gelden niet heeft gebruikt voor de doeleinden waarvoor Clingendael ze ter beschikking heeft gesteld, is door Clingendael niet gesteld en de rechtbank ook overigens niet gebleken.
Conclusie en wettelijke handelsrente
4.33.
De conclusie uit het voorgaande is dat Clingendael geen beroep toekomt op artikel 5 van Pro de opdrachtovereenkomsten om betaling van de uitstaande factuur van
€ 7.000,- te weigeren. Omdat onbetwist is dat [eiser] de werkzaamheden in het kader van de vierde mijlpaal van het betaalschema zoals opgenomen in bijlage 2 van de opdrachtovereenkomst 2024 heeft uitgevoerd, is Clingendael verplicht het bedrag van
€ 7.000,- dat hoort bij die mijlpaal te betalen. De rechtbank zal de vordering van [eiser] daartoe (vordering III in conventie) toewijzen.
4.34.
Ook de gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen, omdat aan alle in artikel 6:119a BW neergelegde voorwaarden is voldaan. De rechtbank wijst de wettelijke handelsrente zoals gevorderd toe vanaf 30 december 2024. Uit bijlage 2 bij de opdrachtovereenkomst blijkt immers dat deze factuur betaald moet zijn in de week van 23 december 2024. De laatste dag van die week, en daarmee de uiterste dag van betaling van de factuur, is 29 december 2024. Hierdoor is de wettelijke handelsrente verschuldigd met ingang van 30 december 2024.
Terugbetaling van door Clingendael betaalde bedragen
4.35.
Clingendael vordert betaling van een bedrag van € 46.050,-, vermeerderd met wettelijke rente (vordering 9 in reconventie). De rechtbank wijst deze vordering af en overweegt daartoe als volgt.
4.36.
Clingendael baseert haar vordering tot betaling van € 46.050,-, primair op artikel 5 van Pro de opdrachtovereenkomsten, namelijk voor zover dat artikel bepaalt dat zij het recht heeft voorbehouden om terugbetaling te vorderen van alle of een deel van de gelden die zijn overgemaakt (‘
claim repayment of all or part of the funds transferred’), indien blijkt dat [eiser] zijn contractuele verplichtingen niet is nagekomen of indien hij de door Clingendael beschikbaar gestelde gelden aanwent voor andere doeleinden dan waarvoor deze gelden zijn bedoeld. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat [eiser] geen verplichting onder de opdrachtovereenkomsten heeft geschonden door Clingendael niet te introduceren in zijn netwerk bij de beëindiging van de samenwerking tussen partijen (zie 4.29 hiervoor) en dat [eiser] artikel 9 niet Pro heeft geschonden door het gebruikmaken van vermeend aan Clingendael toebehorende gegevens voor het KAS-rapport (zie 4.31 hiervoor). Tot slot is niet gebleken dat [eiser] enige onder de opdrachtovereenkomsten ontvangen gelden heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor Clingendael deze ter beschikking heeft gesteld (zie 4.32 hiervoor). Clingendael komt dus geen beroep toe op artikel 5 van Pro de opdrachtovereenkomsten om terugbetaling te vorderen van de totale aan [eiser] betaalde vergoeding in het kader van de opdrachtovereenkomsten.
4.37.
Ook het beroep van Clingendael op de subsidiaire grondslag van artikel 8 Wbbg Pro faalt. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de informatie die [eiser] op grond van de opdrachtovereenkomsten aan Clingendael heeft gerapporteerd niet kwalificeert als een bedrijfsgeheim en er dus ook geen sprake is van onrechtmatig gebruik van bedrijfsgeheimen (zie 4.18 hiervoor). Clingendael kan dan ook geen beroep doen op artikel 8 Wbbg Pro.
4.38.
De rechtbank verwerpt ook het beroep van Clingendael op de meer subsidiaire grondslag van artikel 6:74 BW Pro, omdat niet gebleken is dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van de opdrachtovereenkomsten.
Vordering I in conventie
4.39.
Ten slotte komt de rechtbank toe aan de beoordeling van vordering I in conventie, de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat hij kale nieuwsfeiten mag gebruiken voor derden en dat dit gebruik geen inbreuk maakt op rechten van Clingendael. Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat met ‘rechten van Clingendael’ niet slechts auteursrechten bedoeld zijn, maar ook contractuele en andere rechten van Clingendael.
4.40.
De rechtbank wijst de gevorderde verklaring voor recht af vanwege gebrek aan voldoende belang, voor zover de vordering betrekking heeft op auteursrechten, bedrijfsgeheimrechten, databankenrechten en contractuele rechten op grond van de opdrachtovereenkomsten. De rechtbank heeft hiervoor al geoordeeld dat Clingendael het gebruik door [eiser] van nieuwsfeiten niet kan beletten met een beroep op (één van) die rechten. Hierdoor is er geen grond voor Clingendael om nog aanspraak te maken op (het bestaan van en de inbreuk op) die rechten en is niet te verwachten dat [eiser] zal worden beperkt in zijn overige werkzaamheden voor derden.
4.41.
Voor zover de gevorderde verklaring voor recht betrekking heeft op andere rechten dan hiervoor in 4.40 genoemd, wijst de rechtbank de vordering af omdat deze te onbepaald en niet onderbouwd is.
Proceskosten
4.42.
Clingendael is in conventie en in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en zal worden veroordeeld in de proceskosten. [eiser] vordert op de voet van artikel 1019h Rv en 1019ie Rv veroordeling van Clingendael in de volledige proceskosten van € 37.908,59.
4.43.
Voor het deel van de procedure dat ziet op bescherming van bedrijfsgeheimen, vordert [eiser] een volledige proceskostenvergoeding overeenkomstig artikel 1019ie Rv. Artikel 1019ie Rv bepaalt dat de rechter ‘kan’ veroordelen tot een proceskostenvergoeding die afwijkt van de normale regels. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in een procedure over bedrijfsgeheimen naar verwachting doorgaans het liquidatietarief zal worden toegepast en slechts in uitzonderingsgevallen een volledige proceskostenvergoeding zal worden uitgesproken. Verder blijkt daaruit dat het artikel door een gedaagde (zoals in dit geval [eiser] als gedaagde in reconventie) kan worden ingeroepen ingeval de eiser de inbreukprocedure evident ongegrond heeft ingesteld. [16] Naar het oordeel van de rechtbank heeft Clingendael de vordering op grond van de bescherming van bedrijfsgeheimen niet evident ongegrond ingesteld. Zo heeft zij haar vordering niet gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende of hoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze kansloos waren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid volgend uit artikel 1019ie Rv. Gelet daarop zal het liquidatietarief worden toegepast voor het deel van de procedure dat ziet op bescherming van bedrijfsgeheimen.
4.44.
Naar het oordeel van de rechtbank hangen de procedure in conventie en de procedure in reconventie volledig met elkaar samen. Van de procedure in conventie en reconventie ziet 50% op handhaving van IE-rechten als bedoeld in artikel 1019 Rv Pro (het ‘IE-deel’), te weten het deel van de procedure dat ziet op het auteursrecht en het databankenrecht. De rechtbank zal de proceskosten voor het IE-deel begroten overeenkomstig artikel 1019h Rv. De overige 50%, te weten het deel van de procedure dat ziet op de bescherming van bedrijfsgeheimen en de contractuele vorderingen, ziet niet op de handhaving van IE-rechten (het ‘niet-IE-deel’). Mede gezien de beslissing in 4.43 hiervoor, zal de rechtbank de proceskosten voor het niet-IE-deel begroten overeenkomstig het liquidatietarief.
4.45.
Ten aanzien van de berekening van de proceskosten met betrekking tot het IE-deel van de procedure in conventie en reconventie geldt het volgende. Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 februari 2026). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Deze zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie normale bodemzaak met een maximumtarief van € 21.000,-. 50% van het door [eiser] gevorderde bedrag aan advocaatkosten van € 37.908,59 – te weten € 18.954,30 – overschrijdt dit maximumtarief niet en zal worden toegewezen.
4.46.
Ten aanzien van de berekening van de proceskosten met betrekking tot het niet-IE-deel van de procedure in conventie en reconventie, zal de rechtbank de liquidatietarieven rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2026 hanteren. Gelet op de hoogte van de vordering van Clingendael in reconventie (te weten vordering 9 tot betaling van een bedrag van € 46.050,-), is tarief IV (€ 1.290,- per punt) van toepassing. Dit betekent dat een bedrag aan advocaatkosten van € 1.290,- toewijsbaar is voor het niet-IE-deel, te weten 50% van twee punten conform tarief IV.
4.47.
Daarmee komt een bedrag aan advocaatkosten van € 20.244,30 voor vergoeding in aanmerking. Dit bedrag zal worden toegewezen; het meer gevorderde wordt afgewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met € 1.374,- aan griffierecht, € 147,42 aan dagvaardingskosten en nakosten van € 296,-, waarmee het totaalbedrag uitkomt op
€ 22.061,72 (plus eventueel de verhoging van de nakosten zoals vermeld in de beslissing).
4.48.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Toelaatbaarheid eiswijziging en kostenstaat
4.49.
In verband met de uitkomst van deze procedure komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de toelaatbaarheid van de eiswijziging van Clingendael en de door haar ingediende kostenstaat.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.
veroordeelt Clingendael aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.000,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
in reconventie
5.2.
wijst de vorderingen van Clingendael af,
in conventie en in reconventie
5.3.
veroordeelt Clingendael in de proceskosten van € 22.061,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als Clingendael niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt Clingendael tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft het bepaalde in 5.1, 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek, mr. J.B.J. Hoefnagel en mr. S.H. Verrips en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Wet bescherming bedrijfsgeheimen.
3.Databankenwet.
4.Burgerlijk Wetboek.
5.Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
6.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen.
7.​Auteurswet 1912.
8.HR 17 november 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4790 (
9.Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:735 (
10.HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (
11.Vgl. Rb. Midden-Nederland 8 december 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:6042 (
14.Vgl. Hof Den Haag 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1455, rov. 5.8-5.10.
15.HvJ 5 maart 2009, ECLI:EU:C:2009:132 (