Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10389

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
691706
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 195a RvArt. 197 lid 1 RvArt. 194 lid 1 RvArt. 1019a lid 1 RvArt. 88 UModVo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij inzageverzoek ex artikel 195a Rv in grensoverschrijdende intellectuele eigendomsgeschillen

Volkswagen, houdster van diverse Uniemodellen, verzoekt DHL c.s. om verstrekking van gegevens over een zending met vermoedelijk inbreukmakende autosleutels. DHL c.s. betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en voert aan dat Duitse rechter bevoegd is. De rechtbank onderzoekt of 'de zaak' in artikel 197 lid 1 Rv Pro moet worden uitgelegd als de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij in de bodemprocedure of tussen verzoeker en de derde partij.

De rechtbank constateert dat de parlementaire geschiedenis van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht geen eenduidig antwoord geeft op deze vraag. Enerzijds lijkt artikel 197 Rv Pro te zien op de bodemzaak tussen verzoeker en wederpartij, anderzijds zijn er aanwijzingen dat het inzageverzoek ex artikel 195a Rv een zelfstandige procedure tegen een derde betreft.

Gezien het belang van deze rechtsvraag voor de rechtszekerheid en de vele soortgelijke grensoverschrijdende intellectuele eigendomsgeschillen, is de rechtbank voornemens deze prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen. De zaak wordt aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en stelt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad over de uitleg van 'de zaak' in artikel 197 lid 1 Rv bij een verzoek ex artikel 195a Rv.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/691706 / HA RK 25-503
Beschikking van 1 mei 2026
in de zaak van
VOLKWAGEN AKTIENGESELLSCHAFTte Wolfsburg, Duitsland,
verzoekende partij,
advocaat: mr. L. Kroon,
tegen

1.DHL EXPRESS (NETHERLANDS) B.V. te Schiphol,

2. DHL HUB LEIPZIG GMBHte Schkeuditz, Duitsland,
3. DHL EXPRESS GERMANY GMBHte Bonn, Duitsland,
4. DHL INTERNATIONAL GMBHte Bonn, Duitsland,
gerekwestreerden,
advocaten: mrs. M.M.M. van Gerwen en M.P.M. van Weezel.
Als belanghebbende is aangemerkt:
Metafa Holland B.V.,
Te Son en Breugel,
Advocaat: mr. E.J. Peerboom-Gerrits te ’s-Hertogenbosch.
De verzoekende partij wordt hierna Volkswagen genoemd. De gerekwestreerden worden hierna samen DHL c.s. genoemd en afzonderlijk DHL Express Netherlands, DHL Hub Leipzig, DHL Express Germany en DHL International. Belanghebbende wordt hierna Metafa genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van Volkswagen van 15 september 2025 met de producties 1 tot en met 17;
- het op 9 december 2025 door DHL c.s. ingediende bevoegdheidsincident en verweerschrift met de producties 1 tot en met 12;
- de op 12 december 2025 door Volkswagen ingediende akte uitlating bevoegdheidsincident;
- de op 17 december 2025 door Volkswagen ingediende aanvullende proceskostenopgave.
1.2.
Op 19 december 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Belanghebbende Metafa is abusievelijk niet opgeroepen voor deze mondelinge behandeling. [1] Per aangetekende brief van 30 december 2025 heeft de rechtbank Metafa alsnog aangemerkt als belanghebbende en op de hoogte gebracht van de stand van de procedure. In de brief is verder vermeld dat op de mondelinge behandeling het verzoek niet inhoudelijk is besproken, dat de bevoegdheid van de rechtbank is besproken, alsmede het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen hieromtrent te stellen aan de Hoge Raad. Nadat de brief retour is gekomen, heeft de rechtbank op 22 januari 2026 voornoemde brief opnieuw aan Metafa gezonden, dit keer via de normale post en ook per e-mailbericht aan de advocaat, die blijkens de stukken in het dossier begin 2025 namens Metafa heeft gecorrespondeerd met de advocaat van Volkswagen. Per e-mailbericht van 23 januari 2026 heeft mr. E.J. Peerboom-Gerrits zich gesteld als gemachtigde namens Metafa. De door haar gestelde vragen over het verdere verloop van de procedure zijn door de rechtbank beantwoord per e-mailbericht van 29 januari 2026. Dit e-mailbericht is toegezonden aan de advocaten van alle betrokken partijen.

2.De feiten

2.1.
Volkswagen is een autofabrikant en is houdster van onder meer de volgende modelregistraties (hierna: de Volkswagen Modellen):
- het op 4 september 2012 aangevraagde en geregistreerde Uniemodel met nummer 001342158-0001:
- het op 4 september 2012 aangevraagde en geregistreerde Uniemodel met nummer 001342174-0001:
- het op 4 september 2012 aangevraagde en geregistreerde Uniemodel met nummer 001342174-0002:
- het op 15 oktober 2012 aangevraagde en geregistreerde Uniemodel met nummer 001347280-0001:
2.2.
DHL c.s. maakt onderdeel uit van de DHL Group, een wereldwijd actieve logistieke onderneming, die zich onder meer bezighoudt met pakketverzending.
2.3.
Op 8 november 2024 heeft de Duitse douane Volkswagen ingelicht over een op grond van de Europese douaneverordening tegengehouden zending vanwege het vermoeden van inbreuk op de Volkswagen Modellen. De zending bevatte 350 autosleutels (hierna: de Producten). In de douanemelding zijn onder meer de volgende gegevens opgenomen:
- verzender: Kakuqi Technology (HK) Co., LTD, [naam 1]
- aangever: Metafa Holland B.V., [naam 2]
- ontvanger: Metafa Holland B.V., [naam 2]
- houder van de goederen: DHL HUB LEIPZIG
- land van herkomst: onbekend
- land van vertrek: Hong Kong
- land van bestemming: Nederland
- douaneregeling: invoer
2.4.
Nadat de aangever en de houder zich binnen de gestelde termijn niet tegen vernietiging hebben verzet, zijn de Producten vernietigd.
2.5.
Bij brief van 30 december 2024 heeft Volkswagen Metafa – ontvanger van de Producten volgens de douanemelding – gesommeerd de inbreuk op haar intellectuele eigendomsrechten te staken. Bij brief van 13 januari 2025 heeft (de advocaat van) Metafa de betrokkenheid van Metafa bij de zending met de Producten betwist.
2.6.
Per brief van 22 april 2025 heeft Volkswagen een buitengerechtelijk informatieverzoek op grond van artikel 194 Rv Pro [2] gestuurd aan DHL Hub Leipzig – houder van de goederen volgens de douanemelding – en DHL International – beheerder van het DHL Express Online Services-platform, waaraan de DHL Express Business Accounts van de verzender, waaronder diens EORI nummer, gekoppeld zijn. Het informatieverzoek zag op gegevens waarmee Volkswagen de identiteit van de betrokkenen bij de zending met de Producten kan vaststellen.
2.7.
In een e-mailbericht van 24 april 2025 liet DHL Paket Volkswagen weten dat de zending is verzonden of bezorgd door DHL Express Germany. Vervolgens heeft Volkswagen het informatieverzoek in e-mailbericht van 30 april 2025 aan DHL Express Germany gestuurd. Per e-mailbericht van 7 mei 2025 heeft de DHL Group namens DHL International DHL Hub Leipzig en DHL Express Germany het informatieverzoek afgewezen.
2.8.
In e-mailberichten van 8 en 14 mei 2025 heeft de klantenservice van DHL Express Germany Volkswagen verwezen naar de DHL Express klantenservice in Nederland.
2.9.
Op 23 mei 2025 heeft Volkswagen een schriftelijk buitengerechtelijk informatieverzoek verstuurd naar DHL Express Nederland. Op 25 juni 2025 heeft Volkswagen een herinnering gestuurd. Nadat de reactie van DHL Express Nederland uitbleef, heeft Volkswagen onderhavige verzoekschriftprocedure aanhangig gemaakt.

3.Het geschil

3.1.
Volkswagen verzoekt – kort samengevat – veroordeling van DHL c.s. tot het verstrekken van gegevens met betrekking tot de hiervoor onder 2.3 omschreven zending Producten, op grond van artikel 195a Rv.
3.2.
Aan haar verzoek legt Volkswagen – samengevat – het volgende ten grondslag.
3.2.1.
De partij(en) die de Producten heeft/hebben aangeboden, verkocht, ingevoerd en/of geleverd maakt/maken inbreuk op de Volkswagen Modellen in de zin van artikel 19 UModVo Pro [3] . Volgens artikel 1019a lid 1 Rv vormt een onrechtmatige daad wegens inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht een rechtsbetrekking in de zin van artikel 194 lid 1 Rv Pro. Op grond van artikel 194 lid 1 Rv Pro heeft Volkswagen recht op inzage in informatie over die rechtsbetrekking indien zij daarbij voldoende belang heeft. Volkswagen heeft voldoende belang bij de van DHL c.s. verzochte informatie, omdat zij op dit moment geen zekerheid en geen bewijs heeft over de identiteit van de daadwerkelijke inbreukmaker(s). Die informatie heeft zij echter nodig om haar in staat te stellen effectief haar intellectuele eigendomsrechten te handhaven.
3.2.2.
DHL c.s. beschikt over die gegevens. Hoewel DHL c.s. geen partij is bij de voornoemde rechtsbetrekking, kan DHL c.s. op grond van artikel 195a lid 1 Rv als derde partij worden veroordeeld inzage te verstrekken. Volkswagen is daarom op grond van artikel 195a lid 1 en 194 lid 1 Rv gerechtigd de gevraagde informatie te verkrijgen, zulks in samenhang met de artikelen 1019a Rv, 88 UModVo en 3.18 lid 4 en 5 BVIE [4] , aldus
3.3.
DHL c.s. voert verweer. Zij concludeert tot onbevoegdheid van de rechtbank, tot niet-ontvankelijkheid van Volkswagen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Volkswagen.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
DHL c.s. verzoekt dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de verzoeken van Volkswagen kennis te nemen. De rechtbank is voornemens rechtsvragen aan de Hoge Raad te stellen over de vraag welke ‘zaak’ wordt bedoeld in artikel 197 Rv Pro. Dit voornemen licht de rechtbank hierna toe.
Toepasselijk recht
4.2.
Partijen zijn het er niet over eens of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het inzageverzoek ex artikel 195a Rv. Volkswagen meent op grond van artikel 197 Rv Pro dat dit wel zo is; DHL meent dat dit niet zo is en dat op grond van artikel 7 Brussel Pro I bis-Vo [5] de Duitse rechter bevoegd is van de verzoeken jegens de Duitse DHL-entiteiten kennis te nemen.
4.3.
Met de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht [6] (hierna: de Wet) is onder meer het voorheen in artikel 843a Rv geregelde inzagerecht ingebed in de wettelijke regeling van de bewijsmiddelen en gestroomlijnd met de overige bewijsverrichtingen (het getuigenverhoor, het deskundigenbericht en de plaatsopneming of bezichtiging). In de nieuwe regeling kan een partij niet alleen aanspraak maken op inzage tegenover de (beoogde) wederpartij bij een rechtsbetrekking maar ook tegenover een derde die over bepaalde gegevens beschikt, neergelegd in artikel 195a Rv. De MvT van de Wet vermeldt dat een partij het recht op inzage bij de rechter kan afdwingen via een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting of in spoedeisende gevallen bij de voorzieningenrechter. En verder:
Is een procedure gestart, dan kan, net zoals om een verhoor van getuigen een onderzoek door deskundigen of een plaatsopneming en bezichtiging in de lopende procedure om inzage worden verzocht. [7]
4.4.
De in artikel 195a Rv opgenomen mogelijkheid om aanspraak te maken op inzage tegenover een derde verschilt in die zin van de andere in genoemde bewijsverrichtingen dat het inzageverzoek ex artikel 195a Rv niet is gericht tot de (beoogde) wederpartij in de bodemprocedure waarop het verzoek ziet. De vraag rijst of bij de totstandkoming van voornoemde Wet onder ogen is gezien dat in het geval van een verzoek ex artikel 195a Rv een andere rechtsverhouding aan de orde is (die tussen verzoeker en derde) met eventueel, zoals in het onderhavige geval, een niet in Nederland gevestigde derde, en welke gevolgen dit kan hebben voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
4.5.
In artikel 197 lid Pro 1, eerste volzin Rv is bepaald aan welke rechter de verzoeken van de diverse voorlopige bewijsverrichtingen moeten worden gedaan, te weten:
Het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van
de zaakkennis te nemen als deze aanhangig wordt gemaakt.
4.6.
In het licht van het bevoegdheidsverweer is de thans voorliggende vraag of ‘de zaak’ – in het geval van een verzoek ex artikel 195a Rv – ziet op de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij in de bodemprocedure of de zaak tussen verzoeker en de derde. Uit de Parlementaire Geschiedenis van voornoemde Wet kan geen eenduidig antwoord op de voorliggende vraag worden afgeleid. In de MvT wordt vermeld dat artikel 197, eerste lid (nieuw) overeenkomt met artikel 187, eerste lid, (oud) voor het voorlopig getuigenverhoor, artikel 203, eerste lid, (oud) voor het voorlopig deskundigenbericht en de voorlopige plaatsopneming en bezichtiging. [8] De andere rechtsverhouding bij een inzageverzoek gericht tot een derde en wat dit eventueel kan betekenen voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter bij een in het buitenland gevestigde derde komt in de Parlementaire Geschiedenis van de Wet niet aan de orde.
4.7.
De toelichting op artikel 195a Rv in de Parlementaire Geschiedenis van de Wet vermeldt enerzijds [9] dat een partij niet een afzonderlijke procedure tegen de derde hoeft aan te spannen maar in een lopende procedure een inzageverzoek kan dienen. Dit lijkt erop te wijzen dat
de zaakin artikel 197 Rv Pro ziet op de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij in de bodemprocedure. Anderzijds zijn er ook passages die erop duiden dat
de zaakin het geval van een inzageverzoek ex artikel 195a Rv ziet op de zaak tussen verzoeker en de derde. Zo staat op dezelfde pagina van de MvT dat de beslissing op het inzageverzoek het geschil tussen verzoeker en de derde beëindigt, waardoor het inzageverzoek van artikel 195a Rv kan worden opgevat als een zelfstandige procedure. In de Nota naar aanleiding van het Verslag [10] staat nog:
Bij de wijze waarop de procedure tegen de derde verloopt, is de suggestie van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht gevolgd om hiervan een aparte procedure te maken volgens de regels van de verzoekschriftprocedure, waarbij de derde als belanghebbende wordt opgeroepen evenals de wederpartij in de hoofdzaak van degene die het informatieverzoek doet.
4.8.
Wetssystematisch bezien is het niet vanzelfsprekend dat artikel 197 Rv Pro ook rechtsmacht voor de Nederlandse rechter zou creëren wanneer er gelet op de vestigingsplaats van de derde op grond van de Brussel I bis-Vo geen rechtsmacht aan de Nederlandse rechter zou toekomen.
Voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad
4.9.
In deze zaak zijn de voor de bevoegdheid van de rechtbank relevante feiten overzichtelijk; de vraag over de uitleg van artikel 197 Rv Pro is een rechtsvraag. Het zou voor partijen lang duren en kostbaar zijn als deze vraag pas na een hoger beroep door de Hoge Raad worden beantwoord. Daarom wil de rechtbank de rechtsvraag die in deze zaak beslissend is voor de vraag of haar rechtsmacht toekomt, direct aan de Hoge Raad voorleggen.
4.10.
De rechtbank is niet bekend met andere lopende zaken waarin deze vraag speelt. Nu deze vraag van belang is voor de beoordeling van de rechtsmacht bij ieder verzoek op grond van artikel 195a Rv, waarbij in het buitenland gevestigde partijen zijn betrokken, en dit een nieuwe verzoekschriftprocedure betreft, ingevoerd bij de inwerkingtreding van de Wet modernisering en vereenvoudiging bewijsrecht, dient deze vraag tevens om onduidelijkheden in de wetgeving die kunnen leiden tot rechtsonzekerheid weg te nemen. Een antwoord op deze vraag is dus niet alleen in deze zaak rechtstreeks van belang voor de beslechting van het geschil, maar ook voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voorvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet (artikel 392 lid Pro 1, aanhef en sub, Rv). In zaken betreffende intellectuele eigendomszaken wordt veelvuldig om inzage – ook onder derden – verzocht en spelen – gelet op de vaak grensoverschrijdende geschillen – bij uitstek vragen omtrent de rechterlijke bevoegdheid. In het licht hiervan heeft de praktijk er baat bij dat duidelijkheid komt over deze vraag inzake artikel 197 lid Pro 1, eerste volzin Rv.
4.11.
De rechtbank is voornemens de Hoge Raad de volgende vraag te stellen:
Dient – in geval van een verzoek ex artikel 195a Rv – ‘de zaak’ in artikel 197 lid Pro 1, eerste volzin Rv te worden uitgelegd als de zaak tussen verzoeker en de (beoogde) wederpartij van verzoeker in de bodemprocedure of de zaak tussen verzoeker en de derde?
4.12.
Partijen mogen zich bij akte uitlaten over het voornemen om deze vragen te stellen en over de inhoud van de te stellen vragen. De rechtbank houdt de zaak daarvoor aan tot donderdag 28 mei 2026.

5.De beoordeling

De rechtbank
5.1.
houdt de zaak aan tot donderdag 28 mei 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het in rechtsoverweging 4.11 genoemde voornemen om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad en over de inhoud van de te stellen vraag;
5.2.
houdt iedere nadere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.D. Overbeek op 1 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Conform artikel 195a, tweede lid, Rv
2.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Uniemodellen.
4.Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen).
5.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).
6.Wetsvoorstel 35 498: Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht
7.Kamerstukken II 2019/2020, 35498, nr. 3, p. 13
8.Kamerstukken II 2019/2020, 35 498, nr. 3, p. 59
9.Kamerstukken II 2019/2020, 35 498, nr. 3, p. 54
10.Kamerstukken II 2021/2022, 35 498, nr. 6, p.