Eisers hebben een opvolgend beroep ingediend omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. In een eerdere procedure had de rechtbank de minister al opgedragen om voor 30 januari 2026 een beslissing te nemen, maar dit is niet gebeurd.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Hoewel het dossier mogelijk nog niet compleet is, moet de minister binnen vier weken na deze uitspraak alsnog een besluit nemen. De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op €233,50 vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep. De uitspraak is gedaan zonder zitting en zonder griffierecht voor eisers.