Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL25.8061 en NL25.8063
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.20a VVArt. 8 EVRMArt. 62a VwArt. 3.30 VbArt. 4:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende bewijs wezenlijk Nederlands belang

Eiser, een Britse nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel arbeid als zelfstandige. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af omdat eiser onvoldoende bewijsstukken overlegde om het wezenlijk Nederlands belang aan te tonen, een vereiste voor toekenning van de vergunning.

Eiser voerde in beroep aan dat zijn aanvraag ten onrechte niet was voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken en dat hij niet gehoord was om zijn stukken toe te lichten. Tevens stelde hij dat hij familie- en gezinsbanden in Nederland heeft en dat het terugkeerbevel onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende stukken had overgelegd om het wezenlijk Nederlands belang te onderbouwen en dat verweerder terecht het beroep ongegrond verklaarde.

De rechtbank stelde dat het recht op familie- en gezinsleven niet was geschonden omdat eiser zijn stellingen niet met bewijs ondersteunde. Ook was het terugkeerbevel proportioneel en gemotiveerd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was beslist. De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde eiser niet tot proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.8061 en NL25.8063
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De behandeling van het beroep stond op 9 februari 2026 op zitting gepland. Zowel de gemachtigde van eiser als van verweerder zijn met bericht vooraf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Britse Nationaliteit. Eiser heeft op
26 april 2024 een aanvraag ingediend voor het doel ‘arbeid als zelfstandige’.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet voldoende stukken heeft overgelegd om toetsing door de Minister van Economische Zaken (EZ) mogelijk te maken. De Minister van EZ kan daardoor niet beoordelen of sprake is van een wezenlijk Nederlands belang dat is gediend bij eisers arbeid als zelfstandige, hetgeen is vereist voor toewijzing van de verblijfsvergunning. Volgens verweerder valt immers met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te stellen eiser dat niet voldoende punten behaalt in het puntensysteem dat wordt gehanteerd in het kader van het wezenlijk belang. Het besluit is daarnaast niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Ook de belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit. Verweerder heeft eiser ook een bevel tot terugkeer gegeven, waarin is eiser is verzocht zich naar Duitsland te begeven, waar hij verblijfsrecht heeft. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert aan dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte niet heeft voorgelegd aan de Minister van EZ. Eiser is ten onrechte niet gehoord om zijn overgelegde stukken nader uiteen te zetten. Verweerder is er daarbij aan voorbij gegaan dat eisers activiteiten wel degelijk een wezenlijk Nederlands belang kunnen dienen. Daarnaast heeft eiser in Nederland familie- en gezinsbanden in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder had eiser in de gelegenheid moeten stellen om deze contacten aan te tonen, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen. Eiser heeft ook privéleven opgebouwd in Nederland, onder meer door zijn bedrijfsactiviteiten en sociale contacten. Daarnaast is het terugkeerbevel dat door verweerder is opgelegd onvoldoende gemotiveerd, omdat de IND niet heeft onderzocht of terugkeer naar Duitsland in dit specifieke geval proportioneel en noodzakelijk is. Het terugkeerbevel is daarom in strijd met het proportionaliteits- en motiveringsbeginsel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wezenlijk Nederlands belang
7. Aan een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend als aan een aantal voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat een wezenlijk Nederlands belang is gediend met de door eiser verrichte of te verrichten arbeid als zelfstandige. Verweerder bepaalt of daarvan sprake is en daarbij moet hij gebruik maken van een puntenstelsel. [3] Het puntenstelsel omvat drie criteria: (A) persoonlijke ervaring, (B) diens ondernemingsplan en (C) diens toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie. [4]
7.1.
In artikel 3.20a, tweede lid, van het VV staat dat een wezenlijk Nederlands belang is gediend met arbeid als zelfstandige als aan de vreemdeling ten minste 30 punten worden toegekend voor elk van de drie hiervoor genoemde criteria. Op grond van het derde lid geldt dat tevens een wezenlijk Nederlands belang is gediend als minder dan 30 punten worden toegekend voor de toegevoegde waarde voor de (C) Nederlandse economie en tenminste 45 punten voor zowel (A) persoonlijke ervaring als (B) het ondernemingsplan. Verweerder kan de beoordeling alleen maken op basis van de stukken die worden vermeld in Bijlage 8a van het VV en B6/4.5 van de Vc. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat is voldaan aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang. [5] Het is dus aan de vreemdeling om voldoende stukken over te leggen ter onderbouwing van zijn aanvraag.
7.2.
De rechtbank overweegt dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende stukken heeft overgelegd voor de beoordeling van de aanvraag op de onderdelen A, B en C. Eiser heeft alleen een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd. Verweerder heeft er ook op mogen wijzen dat eiser in bezwaar geen relevante stukken heeft overgelegd, ook niet nadat eiser daartoe in de gelegenheid was gesteld.
8 EVRM
8. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt mogen stellen dat het bestreden besluit niet in strijd is met het recht op uitoefening van het familie- of gezinsleven van eiser. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser geen concrete omstandigheden heeft genoemd waarmee rekening gehouden moet worden. Verweerder wijst er terecht op dat eiser zijn de stellingen dat hij een kind heeft in Nederland en intensieve contacten met familie en vrienden onderhoudt, niet met stukken heeft onderbouwd. Het is aan eiser om dit met stukken aan te tonen. Verweerder heeft daarom mogen concluderen dat niet kan worden vastgesteld of er sprake is van familie- of gezinsleven.
9. Verweerder heeft aangenomen dat eiser privéleven in Nederland heeft, maar zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft in de belangenafweging mogen betrekken dat eiser nooit legaal in Nederland is verbleven en dat hij vrijwel zijn hele leven buiten Nederland heeft doorgebracht. Verweerder heeft er ook op mogen wijzen dat eiser geen bewijsstukken heeft overgelegd met betrekking tot zijn gestelde intensieve contacten met familie en vrienden, terwijl het aan eiser is om zijn standpunt met stukken te onderbouwen.
Hoorplicht
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [6] Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [7] .
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.In de zin van artikel 62a, aanhef en derde lid van de Vreemdelingenwet (Vw).
3.Zie artikel 3.30, tweede lid, van het Vb.
4.Opgenomen in artikel 3.20a, eerste lid, in samenhang met bijlage 8a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV).
5.Dit volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Awb in samenhang bezien van artikel 3.102, eerste lid, van het Vb.
6.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
7.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.