Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10426

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL25.39435 en NL25.39436
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2004/81/EGArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbVreemdelingenwet 2000Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden na beëindiging onderzoek mensenhandel

Eiser, een Indonesische nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden na aangifte van mensenhandel tegen zijn ex-werkgever. Nadat het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek voortijdig beëindigde wegens gebrek aan bewijs, trok de minister van Asiel en Migratie de verblijfsvergunning in.

Eiser voerde aan dat de minister naliet zelfstandig te onderzoeken of hij slachtoffer was van mensenhandel en dat het onderscheid tussen mensenhandel en mensensmokkel in strijd was met de Europese Richtlijn 2004/81/EG. Tevens stelde hij dat hij gehoord had moeten worden en dat het besluit in strijd was met het EVRM en bestuursrechtelijke beginselen.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de vergunning introk omdat het strafrechtelijk onderzoek was beëindigd en eiser niet voldeed aan de voorwaarden. Het onderscheid tussen mensenhandel en mensensmokkel is volgens de rechtbank in lijn met de Richtlijn en het nationale beleid. De hoorplicht mocht worden beperkt omdat het bezwaar geen kans van slagen had. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning vanaf 2 januari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.39435 en NL25.39436
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 mei 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en I.R. Tjandrakesuma als tolk. Verweerder is met bericht vooraf niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Indonesische nationaliteit. Hij heeft op 20 juni en 19 juli 2024 aangifte van mensenhandel gedaan. Aan eiser is vervolgens een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ voor de periode van 24 juni 2024 tot 24 juni 2025.
4. Op 21 januari 2025 heeft de officier van justitie aan verweerder medegedeeld dat de door eiser afgelegde verklaring en het verrichtte onderzoek niet tot aanhouding en vervolging van eisers ex-werkgever voor mensenhandel leiden. Op 2 januari 2025 heeft de officier van justitie besloten het onderzoek naar mensenhandel voortijdig te beëindigen. Daarna heeft verweerder op 10 februari 2025 het voornemen kenbaar gemaakt om eisers verblijfsvergunning in te trekken per 2 januari 2025.
5. Eiser heeft op 5 maart 2025 een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning in ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
6. Verweerder heeft de aanvraag van eiser tot wijziging van de beperking afgewezen en heeft de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken vanaf 2 januari 2025.
Wat vindt eiser in beroep?
7. Eiser voert het volgende aan. Verweerder heeft nagelaten zelfstandig te beoordelen of eiser slachtoffer is van mensenhandel. Verweerder heeft zijn beslissing alleen gebaseerd op de conclusie van het OM dat er geen aanwijzingen voor mensenhandel zijn gevonden.
Verweerder geeft ook een onjuiste toepassing aan de Richtlijn 2004/81/EG [1] . De strikte scheiding in het Nederlandse beleid tussen slachtoffers van mensenhandel en mensensmokkel is in strijd met de bedoeling van de Europese wetgever en de Richtlijn. Volgens de Europese Commissie moeten slachtoffers van mensenhandel en mensensmokkel gelijk worden behandeld. Verweerder heeft niet van horen mogen afzien. Tot slot is de beschikking in strijd met het EVRM [2] , de Vw [3] , de Awb [4] en de beginselen van behoorlijk bestuur.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder mocht de aanvraag tot het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning afwijzen en de verblijfsvergunning van eiser vanaf 2 januari 2025 intrekken. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
Intrekking
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning van eiser vanaf 2 januari 2025 mocht intrekken. In paragraaf B8/3.2 van de Vc [5] is geregeld dat verweerder de verblijfsvergunning van een vreemdeling die aangifte heeft gedaan van mensenhandel of anderszins heeft meegewerkt, intrekt als er geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Het OM heeft op 21 januari 2025 medegedeeld het onderzoek naar de ex-werkgever van eiser op 2 januari 2025 voortijdig te hebben beëindigd, omdat het oogmerk van uitbuiting niet bewezen kan worden waardoor het niet kan leiden tot vervolging van eisers ex-werkgever voor mensenhandel. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat eiser niet meer voldoet aan de voorwaarden van de aan hem verleende vergunning. Eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan er getwijfeld moet worden aan het onderzoek door het OM en evenmin concreet gemaakt waarom zijn mensenhandelrelaas, hoewel in strafrechtelijke zin niet bewezen, naar bestuursrechtelijke maatstaven wel aannemelijk moet worden geacht. De gemachtigde van eiser heeft de grond dat verweerder zelfstandig had moeten onderzoeken of eiser slachtoffer is geworden van mensenhandel ter zitting tot slot laten vallen, zodat die grond geen verdere bespreking behoeft.
De Richtlijn
10. Het betoog dat het onderscheid dat verweerder maakt tussen mensenhandel en -smokkel in strijd is met de Richtlijn leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de richtlijn juist is omgezet in nationaal beleid. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser gebruik heeft kunnen maken van de verblijfsregeling mensenhandel zoals neergelegd in paragraaf B8/3 Vc. Eiser is immers na zijn aangifte in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitaire gronden’ met een geldigheidsduur zo lang als het strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel liep. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen verblijfsrecht toekomt wegens een mogelijk onderzoek naar mensensmokkel. De Nederlandse wetgever heeft immers een onderscheid gemaakt in bescherming tussen mensenhandel en mensensmokkel, dit onderscheid is in lijn met artikel 3 van Pro de Richtlijn, waarin de werkingssfeer van de Richtlijn is bepaald. Zo volgt uit het eerste lid van dit artikel dat lidstaten de Richtlijn toepassen op onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn of zijn geweest van strafbare feiten in verband met mensenhandel [6] , ook als zij het grondgebied van de lidstaten illegaal zijn binnengekomen. Het tweede lid van dit artikel biedt lidstaten de mogelijkheid om de Richtlijn ook toe te passen op onderdanen van derde landen die hulp hebben gekregen bij illegale immigratie [7] (mensensmokkel). Het tweede lid van dit artikel bevat dus, anders dan het eerste lid, geen verplichting tot toepassing van de Richtlijn. Dit maakt dat verweerder in zijn beleid een onderscheid mag maken tussen mensenhandel en -smokkel. De rechtbank ziet in wat eiseres op dit punt heeft aangevoerd geen aanleiding te oordelen dat de Richtlijn in verweerders beleid verkeerd is geïmplementeerd of dat dit beleid onredelijk is. De stelling van eiser dat mensensmokkel door het OM als restcategorie wordt gebruikt in geval van illegale tewerkstelling, omdat de lat voor mensenhandel bij illegale tewerkstelling vaak te hoog ligt, leidt niet tot een ander oordeel. Dat de wetgever niet heeft voorzien in dezelfde mate van bescherming voor slachtoffers van mensensmokkel als voor mensenhandel, zoals eiser wenst, is niet in strijd met de Richtlijn.
Hoorplicht
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [8] Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.
In strijd met algemene bepalingen
12. Verder kan de rechtbank uit het in algemene zin stellen dat het besluit in strijd is met het EVRM, de Vw, de Awb en de beginselen van behoorlijk bestuur niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Dit is ook ter zitting niet nader toegelicht. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
14. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] .
15. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie (de Richtlijn).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Vreemdelingencirculaire 2000 (C) (Vc).
6.Zoals omschreven in de artikelen 1,2 en 3 van Kaderbesluit 2002/629/JBZ, zie de definitiebepaling in artikel 2 onder Pro c van de Richtlijn.
7.Zoals omschreven in de artikelen 1 en 2 van de Richtlijn 2002/90/EG, zie de definitiebepaling in artikel 2 onder Pro b van de Richtlijn
8.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.