ECLI:NL:RBDHA:2026:10426
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden na beëindiging onderzoek mensenhandel
Eiser, een Indonesische nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden na aangifte van mensenhandel tegen zijn ex-werkgever. Nadat het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek voortijdig beëindigde wegens gebrek aan bewijs, trok de minister van Asiel en Migratie de verblijfsvergunning in.
Eiser voerde aan dat de minister naliet zelfstandig te onderzoeken of hij slachtoffer was van mensenhandel en dat het onderscheid tussen mensenhandel en mensensmokkel in strijd was met de Europese Richtlijn 2004/81/EG. Tevens stelde hij dat hij gehoord had moeten worden en dat het besluit in strijd was met het EVRM en bestuursrechtelijke beginselen.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de vergunning introk omdat het strafrechtelijk onderzoek was beëindigd en eiser niet voldeed aan de voorwaarden. Het onderscheid tussen mensenhandel en mensensmokkel is volgens de rechtbank in lijn met de Richtlijn en het nationale beleid. De hoorplicht mocht worden beperkt omdat het bezwaar geen kans van slagen had. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning vanaf 2 januari 2025.