Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
Procesverloop
16 april 2021 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op eisers bezwaar te nemen. [3]
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Ghanese nationaliteit, diende op 3 februari 2020 een aanvraag in voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez bij zijn Nederlandse minderjarige dochter. Verweerder wees deze aanvraag aanvankelijk af, waarna eiser bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep in maart 2022 gegrond en verwees de zaak terug naar verweerder. Na meerdere besluiten en beroepsprocedures verleende verweerder uiteindelijk een afgeleid verblijfsrecht met ingang van de datum van het besluit van 24 juli 2023, zonder expliciete ingangsdatum van het verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelt dat verweerder gehouden is een ingangsdatum vast te stellen en dat deze in beginsel kan worden gekoppeld aan de datum van de aanvraag. Partijen zijn het eens dat de rechtbank zelf moet voorzien in het ontbreken van een ingangsdatum. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het geen ingangsdatum bevat en herroept het primaire besluit.
Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb, stelt de rechtbank vast dat het afgeleid verblijfsrecht feitelijk bestaat sinds 3 februari 2020, de datum van de aanvraag. Tevens veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van een proceskostenvergoeding van €3.667,- aan eiser. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van het afgeleid verblijfsrecht vast op 3 februari 2020 en vernietigt het besluit waarin deze ontbreekt.