In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 22 januari 2026 uitspraak gedaan over het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het kappen van zes bomen op een locatie in Pijnacker-Nootdorp. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de vergunning die op 16 december 2025 door het college van burgemeester en wethouders was verleend aan de vergunninghoudster.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen gevolgen van betekenis ondervindt van het besluit, omdat hij op circa 122 meter afstand woont, wat meer is dan de 100 meter die in de rechtspraak wordt gehanteerd voor belanghebbendheid bij kapbesluiten. Hoewel verzoeker zicht heeft op de bomen, is dit door tussenliggend groen beperkt, vooral in de zomer. De zichtbaarheid van de bomen vanuit andere locaties is niet relevant voor het persoonlijke belang van verzoeker.
Ook het feit dat verzoeker mocht inspreken bij plannen voor het park, leidt niet tot een ander oordeel omdat het belanghebbende-begrip in die context anders wordt ingevuld. De voorzieningenrechter verwacht dat het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk zal worden verklaard, waardoor geen aanleiding bestaat voor een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, waardoor gebruik mag worden gemaakt van de verleende vergunning. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.