Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10526

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
C/09/701747 / KG ZA 26-296
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 6:228 BWArt. 6:230 BWArt. 6:265 BWArt. 25 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot intrekking van evident kansloos bezwaar tegen omgevingsvergunning wegens misbruik van recht

Eiseres, een projectontwikkelaar, vordert dat gedaagden het bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor een woning- en bedrijfsproject in Leiden intrekken. Gedaagden, eigenaren van een woonark, stelden dat de verkrijging van percelen onrechtmatig was en dat de overeenkomsten vernietigd konden worden wegens dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat gedaagden als belanghebbenden bezwaar mogen maken, maar dat het bezwaar evident kansloos is en misbruik van recht vormt. De gestelde bedreigingen en onrechtmatigheden zijn onvoldoende onderbouwd en de vaststellingsovereenkomst, die geheimhouding en afstand van vernietiging bevat, blijft onverkort van kracht. Het bezwaar schaadt de reputatie van eiseres en vertraagt het project.

De voorzieningenrechter beveelt gedaagde 1 om het bezwaar uiterlijk 16 april 2026 in te trekken en bepaalt dat bij niet-naleving het vonnis dezelfde kracht krijgt als een akte tot intrekking. Gedaagden worden veroordeeld in de proceskosten. De vordering tegen gedaagde 2 wordt afgewezen wegens formele redenen, maar ook materieel geacht in het ongelijk gesteld.

Uitkomst: Gedaagde 1 wordt bevolen het bezwaar tegen de omgevingsvergunning in te trekken wegens evident kansloos bezwaar en schending van geheimhoudingsplicht.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/701747 / KG ZA 26-296
Vonnis in kort geding van 15 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. T.M. van Dijk,
tegen:

1.[gedaagde 1] te [woonplaats] ,

2. [gedaagde 2]te [woonplaats] ,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’. [gedaagden] worden gezamenlijk aangeduid als ‘gedaagden’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12;
- het door gedaagden overgelegde verweerschrift;
- de door gedaagden overgelegde producties 1 tot en met 14;
- de door gedaagden overgelegde aanvulling op het verweerschrift;
- de op 15 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 15 april 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 28 april 2026.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseres] is een projectontwikkelaar die (in samenwerking met anderen) in Leiden het [project] realiseert. Dat project heeft als doel het realiseren van woningen en bedrijfsruimten op een aantal percelen aan de [straatnaam] (hierna: het project).
2.2.
Gedaagden zijn eigenaar van een woonark aan de [adres] te [plaats] .
2.3.
Ten behoeve van de realisatie van het project heeft [eiseres] (samen met haar toenmalige partner) percelen in het projectgebied verkregen.
2.4.
Twee van die percelen waren afkomstig van [gedaagde 1] in privé enerzijds en van [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) anderzijds. [gedaagde 1] en [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) hielden 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] . De overige 50% van de aandelen werd gehouden door [bedrijfsnaam 3] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 3] ) en [naam 1] .
2.5.
[bedrijfsnaam 1] is met diverse stakeholders in het project in (juridische) conflicten beland. [eiseres] heeft getracht daarin te bemiddelen.
2.6.
Als resultaat daarvan is op 30 maart 2021 tussen onder meer [bedrijfsnaam 3] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijfsnaam 1] , [gedaagde 1] , [bedrijfsnaam 2] , [gedaagde 2] en [eiseres] een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:
(…)
Artikel 2 Communicatie Pro
2.1
Partijen verplichten zich te onthouden van negatieve communicatie over en weer. Voorts zullen zij geheimhouding betrachten naar derden - uitgezonderd hun adviseurs - over de inhoud van deze Overeenkomst en de processen die tot de totaaloplossing en de individuele overeenkomsten hebben geleid.
Artikel 3 Overige Pro bepalingen
3.2
De Partijen doen hierbij uitdrukkelijk afstand van het recht deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden of te vernietigen, of gehele dan wel gedeeltelijke ontbinding of vernietiging van deze Overeenkomst te vorderen op grond van de artikelen 6:228 en 6:265 BW, om welke reden dan ook. Partijen doen ook afstand van hun recht om deze Overeenkomst te kunnen wijzigen op grond van artikel 6:230 BW Pro.”
2.7.
Op 16 maart 2023 heeft [gedaagde 1] bij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeende Leiden twee zienswijzen ingediend met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan van het project. In die zienswijzen heeft zij onder meer geschreven dat de percelen in het project onrechtmatig zijn verkregen dan wel dat bij de verwerving sprake is geweest van bedrog, bedreiging en/of misbruik van omstandigheden. Ook [gedaagde 2] heeft zich tegenover de gemeente Leiden uitgelaten over de gang van zaken rondom de verkrijging van de percelen in het project.
2.8.
[eiseres] is daarop een kortgedingprocedure gestart tegen gedaagden, om de reden dat gedaagden volgens [eiseres] in strijd handelden met de geheimhoudingsverplichting in de vaststellingsovereenkomst en de uitlatingen van gedaagden het project en de goede naam van [eiseres] ernstig aantastten.
2.9.
Bij vonnis in kort geding van 11 augustus 2023 van deze rechtbank zijn gedaagden veroordeeld om een rectificatieverklaring aan de gemeente Leiden toe te zenden. Ook is het gedaagden, op straffe van een dwangsom, verboden om zich jegens derden uit te laten (over [eiseres] ) in het kader van het project, over de (inhoud van de) met gedaagden gesloten vaststellingsovereenkomst en de processen die tot de totaaloplossing en de individuele overeenkomsten hebben geleid. Daartoe heeft de voorzieningenrechter kort gezegd overwogen dat gedaagden in strijd hadden gehandeld met de vaststellingsovereenkomst en dat hun uitlatingen daarnaast ook onrechtmatig waren.
2.10.
In een brief van 19 maart 2024 van de (voormalig) advocaat van gedaagden aan [eiseres] is het volgende geschreven:
“(…) Cliënten stellen zich op het standpunt dat de wil van [gedaagde 1] , die de overeenkomsten in verschillende hoedanigheden is aangegaan, ten tijde van het sluiten gebrekkig was. Er is sprake geweest van dwang en/of bedrog en/of dwaling en/of misbruik van omstandigheden, onder meer, doch niet uitsluitend doordat de heer [naam 2] en mevrouw [naam 1] dreigden een geheim openbaar te maken, indien de overeenkomst niet of niet volgens de voorgestelde inhoud door [gedaagde 1] zou worden getekend.
Cliënten behouden zich uitdrukkelijk het recht voor om in verband met het vorenstaande over te gaan tot (rechts)maatregelen, onder meer, doch niet uitsluitend, bestaande uit het vernietigen van de hiervoor genoemde overeenkomsten alsmede de overeenkomsten die daarop zijn gebaseerd, c.q. daaruit voortvloeien, en het vorderen van schadevergoeding en/of ongedaan making van het nadeel. (…)”
2.11.
Bij e-mailbericht van 1 juli 2024 van de (voormalig) advocaat van gedaagden aan [eiseres] is het volgende geschreven:
“Op 29 maart 2021 is een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen mijn cliënten, [bedrijfsnaam 1] B.V., [gedaagde 1] , [bedrijfsnaam 2] B.V., [gedaagde 2] en [bedrijfsnaam 4] B.V. en diverse andere partijen, waaronder u.
Namens cliënten vernietig ik de overeenkomst aangezien deze tot stand is gekomen als gevolg van dwaling en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden, met name bestaande uit de dreiging om een geheim openbaar te maken.”
2.12.
In januari 2026 heeft de gemeente Leiden een omgevingsvergunning verstrekt ten behoeve van het project.
2.13.
[gedaagde 1] heeft bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Als bijlagen bij haar bezwaarschrift heeft zij onder meer de hiervoor onder 2.10 en 2.11 weergegeven berichten bijgevoegd. In het bezwaarschrift van [gedaagde 1] staat het volgende:
“Geachte Dames en Heren, ondergetekende maakt bezwaar omdat aanvrager ( [eiseres] B.V.) geen rechtmatige eigenaar is of een rechtmatige titel heeft van de kavels die betrokken zijn in het plan Watergeuskade. In het bijzonder wijst reclamant op de vernietiging en de vernietigingsgronden van de overeenkomst(en) die aanvrager en de Gemeente Leiden al langer bekend zijn en waarvan op de hoogte gebracht. Naast civielrechtelijke procedures zijn inmiddels strafrechtelijke procedures bekend bij het openbaar ministerie en hebben reclamant en haar partners een extra verzoek tot strafvervolging aangekondigd op basis van de vernietigingsgronden. [eiseres] is vanwege de juridische terugwerkende kracht hiermee nimmer rechtmatig eigenaar geworden.”
2.14.
Bij brief van 5 maart 2026 heeft [eiseres] gedaagden gesommeerd om voornoemd bezwaar in te trekken. Gedaagden hebben hieraan geen gevolg gegeven.
2.15.
Gedaagden zijn op 7 april 2026 in staat van faillissement verklaard.
2.16.
Op 17 april 2026 staat een hoorzitting gepland bij de gemeente Leiden.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden te gebieden binnen 24 uur na de zittingsdatum het ingestelde bezwaar bij de gemeente Leiden tegen de beslissing op bezwaar met [kenmerk] van 8 januari 2026 conform de bij productie 9 gevoegde brief in te trekken per post en per e-mail, onder gelijktijdige toezending aan bezwaren@leidse-regio.nl en toezending van een bewijs daarvan aan [eiseres] , met bepaling dat indien gedaagden daartoe binnen die termijn niet over zijn gegaan, het vonnis dezelfde kracht heeft als een door gedaagden in wettige vorm opgemaakte akte tot intrekking van vorenbedoeld bezwaar, op grond waarvan [eiseres] het hiervoor bedoelde bezwaar van gedaagden zelf in kunnen trekken althans een andere door de voorzieningenrechter op te leggen maatregel, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. Het bezwaar schaadt de reputatie van [eiseres] en trekt de rechtmatigheid van het project in twijfel, terwijl de uitlatingen van gedaagden ongefundeerd en kwalijk zijn. Gedaagden lijken geen ander doel te hebben dan schade toe te brengen aan het project. Dat is onrechtmatig jegens [eiseres] . Met het maken van bezwaar handelen gedaagden ook in strijd met de vaststellingsovereenkomst alsook het kortgedingvonnis van 11 augustus 2023. Het bezwaar leidt tot vertraging van de realisatie van het project en brengt schade toe aan [eiseres] . [eiseres] heeft een spoedeisend belang bij intrekking van het bezwaar door gedaagden.
3.3.
Gedaagden voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Gedaagden voeren als meest verstrekkend verweer aan dat nu zij in staat van faillissement zijn verklaard, [eiseres] de curator had moeten dagvaarden. De voorzieningen-rechter begrijpt dit verweer als een beroep op de niet-ontvankelijkheid van [eiseres] in haar vordering. De voorzieningenrechter gaat echter niet mee in dit verweer. De vordering van [eiseres] heeft immers geen betrekking op de boedel, zodat van een situatie als bedoeld in artikel 25 Faillissementswet Pro geen sprake is. De vordering kan daarom tegen gedaagden zelf worden ingesteld. Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voldoende aanwezig. Dat [eiseres] op een andere wijze dan bij de burgerlijke rechter kan bewerkstelligen dat gedaagden hun bezwaar intrekken, is ook niet gebleken. [eiseres] is dan ook ontvankelijk in haar vordering.
4.2.
Beoordeeld moet worden of gedaagden kunnen worden geboden om het tegen de omgevingsvergunning ingestelde bezwaar in te trekken.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat gedaagden als belanghebbenden het recht hebben om bezwaar in te dienen tegen de aan [eiseres] verleende omgevingsvergunning. Gebruik van een procesbevoegdheid als deze is in beginsel onrechtmatig als daarmee misbruik van recht wordt gemaakt. Daarvan kan onder meer sprake zijn als aannemelijk is dat het ingestelde procesmiddel, in dit geval het bezwaarschrift, evident kansloos is. [1] Aan het bezwaar is ten grondslag gelegd dat de verkrijging van de percelen destijds op onrechtmatige wijze is geschied en dat de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten inmiddels zijn vernietigd. Gedaagden hebben in dit verband de beschuldiging geuit dat zij onder bedreiging (met de dood) door de heer [naam 2] van [bedrijfsnaam 3] (en zijn criminele achterban) hebben meegewerkt aan onzakelijke transacties bij de verkoop van de percelen waardoor zij ernstig financieel zijn benadeeld. Volgens gedaagden was [eiseres] hiervan volledig op de hoogte. De voorzieningenrechter constateert dat voor de gestelde bedreigingen (en de wetenschap daarvan bij [eiseres] ) geen enkele aanwijzing is te vinden in de door gedaagden overgelegde stukken, die in de kern genomen niet meer bevatten dan (justitiële) documentatie van [naam 2] waaruit een transactie uit 1997 voor overtreding van een vuurwerkbesluit volgt en een verdenking van het voorhanden hebben van softdrugs, alsmede stukken over justitiële problemen in [land] van (het bedrijf van) een partner van een medewerkster van [bedrijfsnaam 3] . [gedaagde 2] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat informatie in het onderhavig kort geding inderdaad niet overvloedig aanwezig is, maar wel onderdeel is van de strafrechtelijke aangiftes. Ook indien dat zo is, kan dat gedaagden in dit kort geding echter niet baten. Dat [naam 2] heeft bevestigd dat hij heeft gedreigd een affaire tussen hem en [gedaagde 1] wereldkundig te maken, kan geen begin van onderbouwing vormen van de door gedaagden gestelde bedreigingen met de dood. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiseres] had het op de weg van gedaagden gelegen om hun stellingen (nader) te onderbouwen. Bij deze stand van zaken is naar voorshands oordeel in dit kort geding in het geheel niet aannemelijk geworden dat de gang van zaken rondom de verkrijging van de percelen in het project is gegaan op de wijze zoals gedaagden hebben geschetst.
4.4.
Tegen deze achtergrond kunnen gedaagden dan ook niet gerechtvaardigd stellen dat de overeenkomsten die tot de verkoop van de percelen hebben geleid en de vaststellingsovereenkomst op goede gronden door hen zijn vernietigd. Nog daargelaten dat [eiseres] in dit verband onweersproken heeft aangevoerd dat de mogelijkheid tot vernietiging van de overeenkomsten uitdrukkelijk is uitgesloten zodat het nog maar de vraag is of de buitengerechtelijke vernietiging enig effect heeft gehad. Niet is gebleken dat gedaagden de vaststellingsovereenkomst in rechte hebben aangevochten of anderszins civielrechtelijk stappen hebben ondernomen.
4.5.
Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat het bezwaar van gedaagden op de grond dat [eiseres] nimmer rechtmatig eigenaar van de percelen is geworden, geen kans van slagen heeft. Ook is voldoende aannemelijk dat [eiseres] nadelen ondervindt van het bezwaar, omdat de realisatie van het project onder druk komt te staan terwijl zij zo snel mogelijk met de bouw wil aanvangen, alsmede dat zij reputatieschade lijdt. Ter zitting is duidelijk geworden dat het bezwaar van gedaagden de enige belemmering is voor het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning. Naar voorlopig oordeel wordt het belang van [eiseres] zodanig onevenredig geschaad door het instellen en handhaven van het bezwaar dat gedaagden deze bevoegdheid in redelijkheid niet konden uitoefenen. Gedaagden handelen dan ook onrechtmatig door het instellen en het handhaven van het evident kansloos bezwaar.
4.6.
Verder is het gedaagden niet alleen op grond van de vaststellingsovereenkomst maar ook op grond van het kortgedingvonnis van 11 augustus 2023 verboden om zich jegens derden over [eiseres] in het kader van het [project] en over de inhoud en de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst uit te laten. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft [eiseres] gemotiveerd betwist dat gedaagden de vaststellingsovereenkomst met succes hebben vernietigd, zodat de voorzieningenrechter het ervoor houdt dat de afspraken in de vaststellingsovereenkomst en daarmee ook het kortgedingvonnis dat daarop is gebaseerd nog onverkort gelden. Voldoende aannemelijk is dat het indienen van een bezwaarschrift met dergelijke uitlatingen onder de reikwijdte van het hiervoor genoemde verbod valt. Naar voorlopig oordeel hebben gedaagden met het indienen van het bezwaarschrift dan ook in strijd gehandeld met de vaststellingsovereenkomst en het kortgedingvonnis. Het indienen van het bezwaar is ook om die reden onrechtmatig.
4.7.
De slotsom is dat het bezwaar moet worden ingetrokken. Uit het verweerschrift en de verklaringen van [gedaagde 2] ter zitting kan worden afgeleid dat gedaagden het bezwaar als van hen gezamenlijk beschouwen, maar het bezwaarschrift is formeel alleen door [gedaagde 1] ingediend. Voor [gedaagde 2] is het dan ook feitelijk niet mogelijk om het bezwaar in te trekken. De vordering kan ten aanzien van [gedaagde 2] daarom niet worden toegewezen, maar alleen ten aanzien van [gedaagde 1] . Gelet op de geplande hoorzitting op 17 april 2026 zal de voorzieningenrechter [gedaagde 1] gebieden om uiterlijk 16 april 2026 te 14:00 uur het door haar ingestelde bezwaar met onmiddellijke ingang in te trekken. Die intrekking hoeft niet conform de bij productie 9 dagvaarding gevoegde brief zoals gevorderd door [eiseres] , omdat het ook op andere wijze kan geschieden.
4.8.
[eiseres] heeft verder gevorderd om te bepalen dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een door gedaagden in wettige vorm opgemaakte akte tot intrekking van het bezwaar, zodat [eiseres] het bezwaar zelf kan intrekken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er voldoende aanleiding om te veronderstellen dat de kans bestaat dat [gedaagde 1] niet vrijwillig aan het vonnis zal voldoen. Nu [eiseres] daar ook voldoende belang bij heeft, zal de voorzieningenrechter bepalen dat, indien [gedaagde 1] niet binnen de daartoe gestelde termijn aan het gebod voldoet, het vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW Pro dezelfde kracht zal hebben als een door [gedaagde 1] in wettige vorm opgemaakte akte tot onmiddellijke intrekking van het door haar ingestelde bezwaar. Daarvoor is niet nodig dat [eiseres] wordt gemachtigd om het bezwaar zelf in te trekken.
4.9.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Hoewel de vordering tegen [gedaagde 2] om formele redenen niet kan worden toegewezen, wordt [gedaagde 2]
– materieel gezien – wel geacht in het ongelijk te zijn gesteld. Gedaagden worden daarom gezamenlijk in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- gebiedt [gedaagde 1] om uiterlijk 16 april 2026 te 14:00 uur het door haar op 8 januari 2026 ingestelde bezwaar bij de gemeente Leiden met [kenmerk] met onmiddellijke ingang in te trekken per post en per e-mail, onder (gelijktijdige) toezending aan
bezwaren@leidse-regio.nlen toezending van bewijs daarvan aan [eiseres] , en bepaalt dat indien [gedaagde 1] daar niet binnen die termijn aan voldoet, dit vonnis op grond van artikel 3:300, eerste lid, BW dezelfde kracht heeft als een door [gedaagde 1] in wettige vorm opgemaakte akte tot onmiddellijke intrekking van het hiervoor bedoelde bezwaar;
- veroordeelt gedaagden in de proceskosten van € 2.101,00 (griffierecht € 735,00, salaris advocaat € 1.177, nakosten € 189,00 (plus na te melden verhoging)), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagden niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten gedaagden € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
yd

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:560.