De kinderrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 25 maart 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen tot 7 november 2026. Dit besluit volgt op een eerdere verlenging tot 7 mei 2026 en is genomen vanwege aanhoudende zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige, die zich in een loyaliteitsconflict bevindt tussen zijn ouders.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek tot verlenging gemotiveerd met het feit dat de minderjarige een gekleurd beeld heeft van zijn ouders en ondanks zijn voorkeur om bij zijn vader te wonen, er geen zodanige zorgen zijn over de thuissituatie bij de moeder die een wijziging van hoofdverblijfplaats rechtvaardigen. De ouders zijn niet in staat gebleken gezamenlijk een ouderschapsplan op te stellen, wat noodzakelijk wordt geacht voor het welzijn van de minderjarige.
Er is individuele hulpverlening ingezet, waaronder een emotieregulatie-training en ambulante daghulp, maar de moeder weigert medewerking aan hulpverlening thuis, wat de gecertificeerde instelling overweegt te sanctioneren met een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter benadrukt het belang van deze hulpverlening en roept de moeder op tot medewerking, terwijl de vader wordt aangespoord zijn vertrouwen in de moeder te verbeteren.
De kinderrechter concludeert dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft om de situatie voor de minderjarige te verbeteren en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.