ECLI:NL:RBDHA:2026:10595
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing visum kort verblijf wegens schending hoorplicht
Eiser, een 22-jarige Marokkaanse nationaliteit, vroeg op 5 maart 2024 een visum voor kort verblijf aan voor een familiebezoek aan zijn zus en zwager in Nederland. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag op 19 maart 2024 af wegens onvoldoende aantoonbare sociale en economische binding met Marokko. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd op 12 november 2024 ongegrond verklaard.
De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 en oordeelde dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser, terwijl dit in vreemdelingenzaken het uitgangspunt is, zeker bij beoordelingsruimte en afhankelijkheid van individuele omstandigheden. Eiser had relevante documenten en toelichtingen overgelegd en was bereid tot nadere toelichting.
De rechtbank stelde vast dat het niet horen van eiser in strijd is met artikel 7:2 van Pro de Awb en vernietigde het bestreden besluit. De zaak wordt terugverwezen naar verweerder voor een nieuwe beslissing waarbij eiser en zijn referent worden gehoord. Tevens werden de proceskosten en griffierecht aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde besluitvorming.