ECLI:NL:RBDHA:2026:1060

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL25.45088
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 30b VwRichtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag Georgische vreemdeling wegens ongeloofwaardig relaas

Eiser, een Georgische staatsburger, diende in 2018 een eerste asielaanvraag in Nederland in die werd afgewezen en waartegen hoger beroep eveneens ongegrond werd verklaard. Na terugkeer naar Georgië diende hij in 2025 een tweede asielaanvraag in, met als grond dat hij opnieuw problemen ondervond met familieleden van zijn echtgenote, waaronder mishandeling tijdens een herdenking en daaropvolgende bedreigingen.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat het relaas van eiser onvoldoende geloofwaardig werd geacht. De rechtbank oordeelde dat verweerder de nieuwe feiten en omstandigheden wel degelijk heeft beoordeeld, maar dat deze voortborduren op het eerder ongeloofwaardig bevonden verhaal. Eiser leverde geen overtuigende documenten of concrete toelichting, ondanks zijn beweringen over trauma en psychische kwetsbaarheid.

De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser dat het besluit onzorgvuldig was en onvoldoende gemotiveerd. De tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, het ontbreken van concrete voorbeelden van bedreigingen en het niet verschijnen bij medisch onderzoek speelden mee in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het terugkeerbesluit en het inreisverbod.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45088

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

[V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. N. Joseph).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de tweede asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld te Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] .

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1984 en heeft de Georgische nationaliteit. Eiser heeft op 20 april 2018 zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 4 mei 2018 is zijn eerste asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [2] Het beroep hiertegen is op 20 juli 2018 ongegrond verklaard. [3] Bij uitspraak van 28 augustus 2018 heeft de Afdeling [4] het hoger beroep eveneens ongegrond verklaard. [5] Daarna is eiser teruggekeerd naar Georgië.
2. Op 24 april 2025 heeft eiser opnieuw in Nederland een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij na zijn terugkeer naar Georgië opnieuw problemen heeft ondervonden van familieleden van zijn echtgenote, omdat zij het niet eens waren met het huwelijk. Na terugkeer naar Georgië heeft hij een deel van de tijd samen met zijn echtgenote ondergedoken geleefd. Tijdens de 40-dagenherdenking van zijn schoonvader op 16 mei 2021 in Telavi is hij door zijn schoonbroers mishandeld. Daarbij heeft hij ernstig letsel opgelopen en daarvoor is hij langdurig in het ziekenhuis behandeld. Eiser heeft voorts gesteld dat hij nadien door zijn schoonbroers is bedreigd en om die reden Georgië opnieuw heeft verlaten.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De gestelde problemen met de broers van eisers echtgenote acht verweerder niet geloofwaardig. [6] Eiser heeft geen documenten overgelegd en onvoldoende inspanning geleverd om stukken te verkrijgen, ook niet via zijn echtgenote, met wie hij naar eigen zeggen dagelijks contact heeft. Verder heeft eiser onvoldoende concreet en samenhangend verklaard over de gestelde mishandeling tijdens de 40-dagenherdenking, het ondergedoken zijn met zijn echtgenote en de bedreigingen door zijn schoonbroers na 2018. In eisers verwijzing naar mogelijke registraties bij het ziekenhuis of de politie heeft verweerder geen aanleiding gezien om zelf onderzoek te verrichten. Ook ziet verweerder geen aanleiding om beperkingen aan te nemen die het verklaringsvermogen van eiser hebben beïnvloed, mede omdat eiser tweemaal niet is verschenen op uitnodigingen voor medisch onderzoek en tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat geen medische beperkingen van invloed waren op het gehoor. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling betrokken dat eisers eerdere asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden en dit in rechte vaststaat. Verder heeft eiser in Frankrijk een afwijzend asielbesluit ontvangen en heeft hij procedures in andere lidstaten niet afgewacht of beschikbare rechtsmiddelen benut. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. [7] Aan eiser is tot slot een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft ten onrechte de eerdere ongeloofwaardigheidsbevinding uit 2018 laten doorwerken in de beoordeling van zijn huidige asielaanvraag, terwijl de mishandeling tijdens de 40-dagenherdenking een nieuw feit vormt dat zelfstandig en actueel had moeten worden beoordeeld. Verder heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat hij geen inspanning heeft geleverd om zijn relaas met documenten te staven. Gelet op de door hem genoemde aanknopingspunten, zijn medische en psychische kwetsbaarheid en de gespannen relatie met zijn echtgenote in Italië, had verweerder nader onderzoek moeten verrichten. Uit dagelijks contact met zijn echtgenote volgt niet dat documenten eenvoudig beschikbaar zijn. Contact staat namelijk niet gelijk aan praktische toegang tot stukken. Daarnaast betwist eiser dat hij summier of onsamenhangend heeft verklaard, nu hij consequent over het incident van 16 mei 2021 heeft verklaard. Ook heeft eiser aangegeven dat eventuele beperkte detaillering in zijn verklaringen verklaarbaar is door zijn trauma en door de Georgische culturele context waarin eer en reputatie zwaar wegen. Verweerder heeft daarom onvoldoende gewicht toegekend aan zijn medische en psychische kwetsbaarheid.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De voorwaarden voor de beoordeling van een asielrelaas zijn neergelegd in artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn [8] en zijn overgenomen in artikel 31 van Pro de Vw. Uit deze bepalingen volgt dat het uitgangspunt is dat de vreemdeling de door hem gestelde feiten en omstandigheden aannemelijk maakt. Daarbij wordt betrokken dat verklaringen niet altijd volledig met documenten kunnen worden onderbouwd. Indien een vreemdeling zijn asielmotieven niet met (objectieve) documenten kan onderbouwen, beoordeelt verweerder deze op geloofwaardigheid aan de hand van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, dient verweerder te motiveren of en in hoeverre aan de vreemdeling het voordeel van de twijfel wordt gegund.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de door hem gestelde nieuwe feiten en omstandigheden niet inhoudelijk heeft beoordeeld en uitsluitend heeft verwezen naar zijn eerdere asielprocedure. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de door eiser na 2018 gestelde mishandeling tijdens de 40-dagenherdenking, het door eiser gestelde onderduiken met zijn echtgenote en de gestelde bedreigingen door de broers van zijn echtgenote kenbaar en afzonderlijk bij de beoordeling heeft betrokken en zelfstandig heeft gemotiveerd. Daarbij heeft verweerder de eerdere ongeloofwaardigheidsbevindingen uit 2018 niet als doorslaggevend aangemerkt, maar deze meegenomen bij de beoordeling van de thans gestelde gebeurtenissen, nu deze voortborduren op hetzelfde relaas. Verweerder heeft dus niet volstaan bij wat in zijn eerdere asielprocedure in 2018 in rechte vast is komen te staan. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zich onvoldoende heeft ingespannen om zijn asielaanvraag te staven. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard dat de gestelde medische stukken zich vermoedelijk bij zijn echtgenote bevinden, zonder inzicht te geven in pogingen om deze te verkrijgen. Dat eiser niet op de hoogte is of zijn echtgenote nog over deze stukken beschikt, heeft verweerder onder deze omstandigheden niet hoeven volgen. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder zelf bij het ziekenhuis of de politie nader onderzoek had moeten verrichten, slaagt die beroepsgrond evenmin. Het ligt op de weg van eiser om zijn relaas met objectieve stukken te onderbouwen en aannemelijk te maken waarom deze niet kunnen worden overgelegd. Eiser is daarin niet geslaagd. Verweerder was daarom niet gehouden om ambtshalve nader onderzoek te verrichten.
8. Verweerder heeft niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat zijn verklaringen over de gestelde mishandeling tijdens de 40-dagenherdenking van 16 mei 2021 onvoldoende inzicht geven in de toedracht van het incident. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser, ondanks herhaald doorvragen, vooral heeft verklaard over de gevolgen van het incident en nauwelijks over het incident zelf. De enkele vermelding van datum, plaats, dader en letsel als gevolg, maakt nog niet dat sprake is van inzichtelijke en samenhangende verklaringen over het incident. Dat eiser heeft gewezen op trauma of culturele factoren heeft verweerder niet doorslaggevend hoeven achten, nu eiser deze stellingen niet heeft onderbouwd met (medische) stukken en tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat geen medische beperkingen van invloed waren op het gehoor. Daarbij komt dat eiser tweemaal niet is verschenen op uitnodigingen van verweerder voor medisch onderzoek voorafgaande aan het nader gehoor. Dit nalaten komt voor rekening en risico van eiser.
9. Ten aanzien van het gestelde onderduiken met zijn echtgenote heeft verweerder onderkend dat onderduiken niet per definitie onafgebroken hoeft te zijn. Verweerder heeft zich echter terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen op dit punt onvoldoende samenhang vertonen. Eiser stelt enerzijds dat hij zijn schoonbroers moest ontlopen vanwege gevaar en daarom ondergedoken was, maar anderzijds dat hij aanwezig is geweest bij de 40-dagenherdenking van zijn schoonvader, terwijl hij ook heeft verklaard dat de aanwezigheid van zijn schoonbroers daarbij voorzienbaar was. Dat zijn afwezigheid zou hebben geleid tot escalatie of eerwraak heeft eiser niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Verweerder heeft deze tegenstrijdigheden daarom terecht meegewogen bij zijn beoordeling.
10. Met betrekking tot de gestelde bedreigingen na 2018 heeft verweerder niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser zijn verklaringen onvoldoende heeft geconcretiseerd. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser geen specifiek voorval heeft kunnen beschrijven, zoals de wijze waarop een bedreiging plaatsvond, wat daarbij werd gezegd of wanneer het heeft plaatsgevonden. Dat eiser heeft gesteld dat bedreigingen zich kunnen herhalen, neemt niet weg dat van hem mocht worden verwacht dat hij op zijn minst een concreet voorbeeld kon geven, nu eiser stelt dat die bedreigingen mede aanleiding waren om Georgië te verlaten.
11. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daarbij heeft verweerder de door eiser aangevraagde internationale bescherming in andere lidstaten niet als zelfstandige grond aan eiser tegengeworpen, maar in samenhang bezien met de door eiser gestelde nieuwe feiten en omstandigheden.
12. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens
bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31 jo Pro artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
3.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ECLI:NL:RBLIM:2018:6992.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.201806032/1/V2 (niet gepubliceerd).
6.Eiser voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, c en e, van de Vw.
7.Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw.
8.Richtlijn 2011/95/EU.