ECLI:NL:RBDHA:2026:1062
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van een inreisverbod in het licht van artikel 8 EVRM
Deze uitspraak betreft een inreisverbod dat door de minister van Asiel en Migratie aan eiser is opgelegd. Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 21 januari 2026 de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank heeft het inreisverbod beoordeeld aan de hand van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op respect voor privé- en gezinsleven waarborgt. Eiser betoogde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het inreisverbod niet in strijd was met dit artikel, verwijzend naar zijn familie in Europa en een partner in Zweden. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende had gemotiveerd dat het inreisverbod niet in strijd was met artikel 8 EVRM. De verklaringen van eiser over zijn familiebanden waren te vaag om een inbreuk op zijn gezinsleven aan te tonen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was, waardoor het inreisverbod in stand bleef. De minister was niet verplicht om de proceskosten van eiser te vergoeden.