ECLI:NL:RBDHA:2026:1062
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inreisverbod en artikel 8 EVRM in bestuursrechtelijke procedure
De minister van Asiel en Migratie legde op 19 oktober 2025 een inreisverbod van twee jaar op aan eiser omdat hij Nederland niet binnen de gestelde termijn had verlaten. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat het inreisverbod in strijd zou zijn met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), omdat hij familie en een partner in Europa heeft.
De rechtbank behandelde het beroep op 18 december 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. De verklaringen van eiser over familie en partner waren te vaag en onvoldoende onderbouwd om een schending van het recht op familie- en gezinsleven aan te nemen.
Daarom bleef het inreisverbod in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door rechter W. Loof en griffier S.J.B. ter Beke op 21 januari 2026. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft in stand.