Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/09/684076 / FA RK 25-3034
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot omgangsregeling tussen oma en minderjarige wegens belang van het kind

De rechtbank Den Haag behandelde op 26 maart 2026 het verzoek van de oma om een omgangsregeling met haar kleinkind vast te stellen. De moeder oefent het eenhoofdig gezag uit over het kind, dat in 2021 is geboren. De vader, zoon van de oma, is in 2024 overleden. De oma had een nauwe persoonlijke betrekking met het kind, aangezien het kind de eerste anderhalf jaar bij haar heeft gewoond en daarna regelmatig verbleef.

De moeder verzet zich tegen het verzoek en heeft het contact tussen het kind en de oma in juli 2025 stopgezet vanwege de onrust die het contact veroorzaakte. Zowel de moeder als het kind zijn in behandeling voor rouw- en traumatherapie. De rechtbank oordeelt dat het op dit moment niet in het belang van het kind is om een vaste omgangsregeling met de oma vast te stellen, mede vanwege de gespannen relatie tussen moeder en oma en het gebrek aan draagvlak.

De rechtbank wijst het verzoek van de oma af, maar moedigt beide partijen aan deel te nemen aan trajecten voor ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding om de communicatie en verstandhouding te verbeteren. De moeder staat niet onwelwillend tegenover toekomstig contact, mits de relatie verbetert en er rust is voor haar en het kind.

Uitkomst: Het verzoek van de oma tot vaststelling van een omgangsregeling met het kind wordt afgewezen omdat dit niet in het belang van het kind is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3034
Zaaknummer: C/09/684076
Datum beschikking: 26 maart 2026

Omgang

Beschikking op het op 9 april 2025 ingekomen verzoek van:

[de oma],

de oma,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Çelen in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. van Pelt – de Jong in Bodegraven.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 18 september 2025 van de oma;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van 23 februari 2026, met bijlagen, van de oma;
  • het F9-formulier van 24 februari 2026, met bijlagen, van de moeder.
Op 26 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld.
Hierbij zijn verschenen:
  • de oma, bijgestaan door haar advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • De moeder is gehuwd geweest met [de vader], geboren op [geboortedatum 1] 1969 in [geboorteplaats 1] (hierna: de vader).
  • Uit dit huwelijk is het volgende nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2].
  • De vader is de zoon van de oma.
  • De vader is op [datum] 2024 overleden.
  • De moeder oefent het eenhoofdig gezag uit over [minderjarige].

Verzoek en verweer

De oma verzoekt – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat:
- de oma gerechtigd is tot omgang met [minderjarige], inhoudende dat:
  • zolang [minderjarige] nog niet naar school gaat:[minderjarige] is wekelijks op dinsdagmiddag van 13.30 uur tot 17.30 uur en op zaterdag van 10.30 uur tot 18.30 uur bij de oma, alsmede één week buiten schoolvakanties, in overleg met de moeder, en één weekend;
  • zodra [minderjarige] naar school gaat:[minderjarige] is wekelijks op woensdagmiddag, dan wel een andere middag dat zij vrij heeft van school van 13.30 uur tot 17.30 uur bij de oma, alsmede één week in de zomervakantie en één weekend tijdens een kleine vakantie, in onderling overleg vast te stellen.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt zij zelfstandig – voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad –:
  • de oma niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel het verzoek van de oma af te wijzen;
  • voorwaardelijk, te weten indien en voor zover de rechtbank oma wel ontvankelijk acht in haar verzoek en niet beschikt over voldoende informatie om te kunnen beoordelen of het verzoek van oma al dan niet in het belang van [minderjarige] is, om de Raad te gelasten om hier onderzoek naar te doen en te adviseren over de vragen:
  • of het in het belang van [minderjarige] is om tussen haar en oma een omgangsregeling vast te stellen;
  • indien dat het geval is, welke omgangsregeling tussen [minderjarige] en oma in het belang van [minderjarige] is,
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.

Beoordeling

Omgang
Ontvankelijkheid
Met het oog op de ontvankelijkheid van de oma in haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ligt op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW de vraag voor of zij in een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] staat. Voor de invulling van het begrip nauwe persoonlijke betrekking wordt aangesloten bij family life als bedoeld in artikel 8 van Pro het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).Op grond van vaste jurisprudentie is de enkele aanwezigheid van een familierechtelijke betrekking onvoldoende voor het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking, zodat sprake dient te zijn van bijzondere omstandigheden.
Uit de stukken en hetgeen op zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat [minderjarige] – samen met de ouders – in ieder geval gedurende haar eerste anderhalf jaar bij de oma heeft gewoond en daarna tot juli 2025 nog regelmatig bij de oma verbleef. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit geval sprake is van een voldoende nauwe persoonlijke betrekking tussen de oma en [minderjarige]. Gelet hierop zal de rechtbank de oma ontvankelijk verklaren in haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige].
Inhoudelijke beoordeling
Nu de oma ontvankelijk is in haar verzoek tot omgang, dient te worden beoordeeld of en in hoeverre een omgangsregeling met de oma in het belang van [minderjarige] is.
Uit de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende gebleken.
De verstandhouding tussen de oma en de moeder was reeds gespannen maar is in ieder geval sinds de start van onderhavige procedure ernstig verslechterd. Sinds enkele maanden zijn [minderjarige] en de moeder in behandeling voor rouw- en systeemtherapie bij [zorginstantie 1]. Ook is [minderjarige] onlangs gestart met een traject voor trauma- en rouwtherapie bij [zorginstantie 2]. De moeder heeft het contact tussen [minderjarige] en de oma in juli 2025 volledig stopgezet, omdat deze contactmomenten voor zowel [minderjarige] als haarzelf veel onrust veroorzaakten.
Zoals de rechtbank partijen ter zitting reeds heeft voorgehouden, zal het verzoek van de oma worden afgewezen, nu de rechtbank het momenteel niet in het belang acht van [minderjarige] om een vaste omgangsregeling met de oma te bepalen. Gelet op de verhouding tussen de moeder en de oma en het gebrek aan draagvlak bij de moeder, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om een basis te leggen voor een vaste omgangsregeling tussen de oma en [minderjarige]. De rechtbank is ervan overtuigd dat de moeder behoefte heeft aan een periode van rust, waarin zij zich kan richten op haar eigen behandeling en rouwverwerking. Een periode van rust zal bijdragen aan het creëren van ruimte voor de moeder voor herstel van contact tussen [minderjarige] en de oma.
Tijdens de zitting is besproken dat de moeder overigens niet onwelwillend staat tegenover het in de toekomst hervatten van het contact tussen [minderjarige] en de oma. Wel dient daarvoor de relatie tussen de oma en de moeder te worden verbeterd. Daarom is aan hen in overweging gegeven om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling, enerzijds om in het belang van [minderjarige] de onderlinge communicatie en verstandhouding te verbeteren, en anderzijds om eventuele afspraken te maken over het contact tussen [minderjarige] en de oma. Zowel de oma als de moeder hebben hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. Ook hebben de oma en de moeder hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding, zodat de omgang tussen [minderjarige] en de oma (voorlopig) niet behoeft plaats te vinden met directe medewerking van de moeder.
De rechtbank zal de oma en de moeder in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan de trajecten Omgangsbegeleiding en Ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het aan deze beschikking gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Dit proces-verbaal is reeds per e-mail verzonden aan Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemde trajecten en voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie(s). De rechtbank zal deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
De rechtbank zal in deze beschikking een eindbeslissing geven. Zij ziet geen aanleiding om, in het geval de Ouderschapsbemiddeling en/of de Omgangsbegeleiding niet tot een positief resultaat zou leiden, aan de Raad voor de Kinderbescherming te vragen om te kijken naar de wenselijkheid van een raadsonderzoek. Het is wat de rechtbank betreft vooral aan oma om mee te bewegen met de moeder en om aan de moeder de regie te laten, zodat de moeder de rust en controle heeft om het contact tussen [minderjarige] en haar oma emotioneel te kunnen ondersteunen.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst het verzoek van de oma af;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de oma]
(de oma),
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
en
[de moeder]
(de moeder),
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie(s);
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 – 2343 LA Oegstgeest.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 maart 2026.