Eiser, afkomstig uit Syrië en van Alawitische afkomst, vroeg asiel aan vanwege vrees voor vervolging wegens afvalligheid van de islam en zijn Alawitische achtergrond. De minister wees de aanvraag af, stellende dat er geen verhoogd risico op vervolging was, mede omdat eiser zijn afvalligheid niet actief zou uiten en de bedreigingen aan zijn familie nog geen gevolgen hadden gehad.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat afvalligen in Syrië in het algemeen geen verhoogd risico lopen, maar dat dit niet afdoet aan de individuele omstandigheden van eiser. De rechtbank stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het geloofwaardig geachte relaas van eiser over de bedreigingen aan zijn vader en broer niet leidt tot een gegronde vrees voor vervolging.
De rechtbank benadrukt dat het risicoprofiel van Alawieten en de structurele discriminatie en bedreigingen door veiligheidsdiensten relevant zijn en dat de minister deze niet adequaat heeft afgewogen tegen het persoonlijke relaas van eiser. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier D.G. van den Berg en is openbaar gemaakt op 6 mei 2026.