12.1.Uit het Algemeen ambtsbericht van maart 2023 volgt immers niet dat eiser als dienstplichtige direct zal worden ingezet in de oorlog in Oekraïne, hetgeen ook niet volgt uit de uitspraken van de Afdeling.In het Ambtsbericht staat dat nieuwe dienstplichtigen eerst een basisopleiding ondergaan en vervolgtraining krijgen, voordat zij zich moeten aansluiten bij een militaire eenheid.Hieruit volgt niet dat eiser onontbeerlijke steun zou moeten bieden aan de voorbereiding of uitvoering van oorlogsmisdrijven. Niet is gebleken van recentere landeninformatie, ook niet het Thematisch ambtsbericht,waaruit een wezenlijk ander beeld naar voren komt. De rechtbank overweegt daarbij ook dat niet is gebleken van een doorlopende mobilisatie onder de radar. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het rapport van de EUAAniet van een huidige gedwongen en grootschalige mobilisatie.De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet meer bewijswaarde hoefde toe te kennen aan de links naar verschillende nieuwsartikelen, omdat het gaat om onvertaalde berichten waarvan de inhoud niet te verifiëren is. Daarbij komt in de gegeven toelichtingen naar voren dat het gaat om algemene bronnen, die dus ook niet de specifieke omstandigheden van eiser kunnen onderbouwen. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd waarom juist hij risico loopt om te moeten vechten in Oekraïne. Het feit dat eiser uit de republiek Ingoesjetië komt, is op zichzelf onvoldoende grond om aan te nemen dat hij daadwerkelijk in de gevechten zal worden ingezet. Daarnaast heeft de minister er ter zitting terecht op gewezen dat de vrees voor inzet in de oorlog in Oekraïne een toekomstige onzekere gebeurtenis is. De minister heeft daarmee voldoende het refoulementverbod in acht genomen.
Ernstige gewetensbezwaren
13. In zoverre eiser stelt de oorlog principieel en moreel af te wijzen, oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging de dienstplicht heeft geweigerd of zal weigeren. Het enkele feit dat eiser tegen de oorlog is, is onvoldoende om de aanwezigheid van onoverkomelijke gewetensbezwaren te onderbouwen. Eiser heeft geen verdere onderbouwing gegeven, zoals innerlijke conflicten of andere concrete omstandigheden die zijn gewetensbezwaren zouden ondersteunen. Ook overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat eiser, als er geen oorlog zou zijn, de dienstplicht niet zou willen vervullen. Eiser heeft met deze stelling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij de dienstplicht weigert vanwege onoverkomelijke gewetensbezwaren.
Vrees voor onevenredige of discriminatoire bestraffing wegens dienstweigering
14. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor een jarenlange gevangenisstraf, voor zover dit als daad van vervolging zou moeten worden gezien. Het Ambtsbericht vermeldt dat dienstweigeraars doorgaans worden bestraft met een financiële boete of, in sommige gevallen, een gevangenisstraf van twee jaar.Ook uit het Thematisch ambtsbericht Russische Federatie van 14 februari 2025 blijkt dat dienstweigeraars in de praktijk worden beboet.Ook hieruit volgt niet dat eiser een gegronde vrees heeft voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing.
Conclusie
15. Eiser voldoet niet aan een van de voorwaarden van paragraaf C2/3.2 van de Vc en eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees bij terugkeer naar Rusland heeft.
Is er aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten?
16. Hoewel de rechtbank onder 6.3 tot en met 6.5 heeft geoordeeld dat de minister niet heeft kunnen tegenwerpen dat eiser niet voldoet aan artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw, en eiser dit bij beide asielmotieven ten onrechte is tegengeworpen, heeft de minister kunnen concluderen dat het relaas van eiser niet geloofwaardig. De minister heeft daarvoor bij beide asielmotieven een sluitende motivering gegeven onder artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw, hetgeen de rechtbank in dit geval voldoende acht. Onder verwijzing naar hetgeen met betrekking tot de beide asielmotieven is overwogen onder 7.5, 8.1 en 10.2 alsmede is geoordeeld onder 12 tot en met 14, laat de rechtbank de rechtgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand.
Conclusie ten aanzien van de asielaanvraag van eiseres
17. Omdat er geen aparte gronden zijn gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres, volstaat de rechtbank met een verwijzing naar hetgeen hierboven overwogen. Ook het beroep van eiseres is gegrond en ook in die zaak ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.