ECLI:NL:RBDHA:2026:10664

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL26.22667
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b VwArt. 5.1b, derde lid, VbArt. 5.1b, vierde lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

Eiser, met de Gambiaanse nationaliteit, werd op 20 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde dat de maatregel prematuur was en dat het risico op onttrekking onvoldoende was gemotiveerd, omdat hij nog binnen de vertrektermijn van vier weken verbleef en bekend was bij de autoriteiten.

De rechtbank oordeelde dat eiser zonder paspoort of visum via meerdere landen naar Nederland was gereisd en dat zijn asielaanvraag was afgewezen, waarna de vertrektermijn was ingegaan. Omdat eiser niet uit eigen beweging was vertrokken, was er een reëel risico op onttrekking aan het toezicht. De minister had voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet volstond.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22667

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 23 april 2026 heeft hij de gronden van het beroep ingediend. Op 24 april 2026 heeft verweerder hierop gereageerd. Op 29 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2004.
Beroepsgronden
2. Eiser voert aan dat de maatregel prematuur is opgelegd. De vertrektermijn van vier weken is pas op 14 april 2026 aangevangen en liep dan ook nog ten tijde van de inbewaringstelling. Verder betoogt eiser dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een risico op onttrekking, om de enkele reden dat hij kort na aanvang van de vertrektermijn nog niet was vertrokken. De vertrektermijn is juist bedoeld voor eiser om zijn vertrek te organiseren en het opleggen van bewaring binnen die termijn is volgens eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Tot slot stelt eiser dat het risico op onttrekking onvoldoende is gemotiveerd, omdat de aangevoerde gronden grotendeels zien op algemene omstandigheden die inherent zijn aan de asielprocedure. Zonder nadere individualisering rechtvaardigen deze volgens eiser geen maatregel van bewaring, temeer nu hij bekend was bij de autoriteiten en in de opvang verbleef.
Maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
  • 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3a feitelijk juist is. Eiser heeft namelijk verklaard zonder paspoort of visum via meerdere landen naar Nederland te zijn gereisd. Dat dit een omstandigheid is die inherent is aan het zijn van een asielzoeker, zoals eiser stelt, maakt dit niet anders. Daarnaast is de asielaanvraag van eiser bij besluit van 18 september 2025 afgewezen, waarbij tevens een terugkeerbesluit is genomen. Het door eiser hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 16 maart 2026 ongegrond verklaard, waarna de vertrektermijn van vier weken is gaan lopen. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat de maatregel van bewaring is opgelegd gedurende de vertrektermijn van eiser. Eiser is vervolgens niet uit eigen beweging vertrokken. Daarmee is ook zware grond 3c feitelijk juist. Zware gronden 3a en 3c kunnen de maatregel dragen. Hieruit volgt het risico op onttrekking aan het toezicht. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.
Lichter middel
5. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel dan de maatregel van bewaring niet aan de orde is. Voorop staat daarbij het risico op onttrekking aan het toezicht zoals dat uit de gronden van de maatregel volgt. Eiser stelt niet terug te willen keren naar Gambia. Daarnaast heeft hij geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de bewaring voor hem onredelijk bezwarend is en de rechtbank is dat ook niet gebleken.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.