ECLI:NL:RBDHA:2026:1069

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
C/09/696194 / KG RK 25-1688
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het wrakingsverzoek van Loterijverlies.nl B.V. tegen rechters in een civiele procedure

Op 23 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag het verzoek tot wraking van Loterijverlies.nl B.V. afgewezen. Het verzoekster, vertegenwoordigd door mr. N.V.C. Haneveld, stelde dat de rechters vooringenomen waren, omdat mr. Dam eerder nadelige vonnissen had gewezen in een procedure tussen Staatsloterij B.V. en verzoekster. De wrakingskamer oordeelde dat het enkele feit dat mr. Dam in het verleden beslissingen in het nadeel van verzoekster heeft genomen, niet voldoende is om te concluderen dat er sprake is van partijdigheid. De rechters hebben in hun eerdere vonnissen geen inhoudelijke uitspraken gedaan over de merites van de zaak, maar enkel procedurele beslissingen genomen.

De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat er bijzondere omstandigheden moeten zijn om aan te nemen dat deze onpartijdigheid in gevaar is. De andere wrakingsgronden, waaronder de stelling dat andere rechters in het verleden steeds in het nadeel van verzoekster hebben geoordeeld, werden eveneens verworpen. De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectieve redenen waren om aan te nemen dat de rechters niet onafhankelijk konden oordelen.

De beslissing om het wrakingsverzoek af te wijzen werd openbaar uitgesproken, en het proces in de hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/78
zaak- /rekestnummer: C/09/696194 / KG RK 25-1688
Beslissing van 23 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
Loterijverlies.nl B.V.,
gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. N.V.C. Haneveld te Amsterdam,
strekkende tot de wraking van
mrs. M. Dam, L. Kelkensberg en C. Seinen,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 15 december 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 23 december 2025;
- de brief van verzoekster van 29 december 2025;
- de brief van verzoekster van 16 januari 2026;
- het e-mailbericht van verzoekster van 18 januari 2026.
1.2.
Op 19 januari 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- namens verzoekster [naam 1] , bijgestaan door mr. N.V.C. Haneveld;
- de rechters;
- namens de wederpartij in de hoofdzaak [naam 2] , als toehoorder.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters van de meervoudige kamer in de zaak met nummer C/09/678094 / HA ZA 25-18 tussen Staatsloterij B.V. en verzoekster.
2.2.
Verzoekster heeft blijkens het schriftelijke verzoek en de aanvullingen daarop, zoals toegelicht ter zitting, het volgende samengevat aan haar verzoek ten grondslag gelegd:
in de procedure tussen Staatsloterij B.V. en verzoekster heeft mr. Dam eerder voor verzoekster nadelige vonnissen gewezen. Nu mr. Dam (ook) deel uit maakt van de samenstelling van rechters die inhoudelijk over de hoofdzaak zal beslissen wordt het vertrouwen geschaad dat de zaak op eerlijke wijze wordt behandeld en wordt de schijn van partijdigheid gewekt;
mrs. Kelkensberg en Seinen kunnen, gelet op de vooringenomenheid van mr. Dam, niet meer onpartijdig en onafhankelijk oordelen;
in aanverwante kwesties hebben andere rechters van de rechtbank Den Haag in het nadeel van verzoekster beslist, waardoor de rechtbank Den Haag - en daarmee dus ook mrs. Dam, Kelkensberg en Seinen - niet (meer) onafhankelijk en onpartijdig kunnen oordelen over de hoofdzaak;
nadat het wrakingsverzoek door verzoekster is ingediend, is beslist op een verzoek tot aanhouding in de hoofdzaak. Dit terwijl het proces in de hoofdzaak vanwege het wrakingsverzoek is geschorst;
in de procedure tussen Staatsloterij B.V. en verzoekster is een voormalig rechter-plaatsvervanger van de rechtbank Den Haag betrokken. De hoofdzaak had ingevolge de Leidraad Onpartijdigheid niet aangebracht mogen worden bij de rechtbank Den Haag, althans de rechters hadden de hoofdzaak moeten doorverwijzen naar een andere rechtbank. Nu de rechters dit hebben nagelaten is de schijn van partijdigheid gewekt.
2.3.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en zij hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Ad wrakingsgrond 1
3.2.
De wrakingskamer overweegt dat het enkele feit dat mr. Dam in een eerdere fase van de procedure beslissingen in het nadeel van verzoekster heeft genomen, niet met zich brengt dat daarmee sprake is van partijdigheid waartegen artikel 6 EVRM bescherming biedt (vgl. Hoge Raad 16 januari 2009, ELCI:NL:HR:2009:472).
3.3.
Dat geldt temeer nu mr. Dam zich in geen van de vonnissen inhoudelijk heeft uitgelaten over de merites van het geschil. Het betreft in alle gevallen procedurele beslissingen die niet raken aan de inhoud van de zaak.
3.4.
Daar komt bij dat procedurele beslissingen als zodanig in zijn algemeenheid nooit grond kunnen vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een procedurele beslissing. Ook de motivering van een procedurele beslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procedurele beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Daarvan is in dit geval evenwel geen sprake.
3.5.
Er is dan ook geen reden om te oordelen dat mr. Dam vooringenomen is, of niet onpartijdig, of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De eerste wrakingsgrond faalt derhalve.
Ad wrakingsgrond 2
3.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan ook de tweede wrakingsgrond niet slagen. Er is geen reden om aan te nemen dat de deelname aan de samenstelling door
mr. Dam – tot stand gekomen na a-selecte toedeling – maakt dat de andere rechters in de samenstelling niet objectief en onafhankelijk over de zaak kunnen oordelen. Nu er ten aanzien van mrs. Kelkensberg en Seinen geen andere wrakingsgronden zijn aangevoerd, is er ook geen reden te oordelen dat zij vooringenomen zijn, of partijdig, of dat de schijn ervan gewekt is.
Ad wrakingsgrond 3
3.7.
Aan de derde wrakingsgrond ligt de stelling ten grondslag dat andere rechters van deze rechtbank steeds in het nadeel van verzoekster hebben geoordeeld. Ook die grond faalt. Dat verzoekster in andere procedures in het ongelijk is gesteld, maakt nog niet dat bij voorbaat vast staat dat deze samenstelling van rechters, in deze procedure, ten nadele van verzoekster zal oordelen.
Ad wrakingsgrond 4
3.8.
Wat betreft de stelling dat de rechters vooringenomen of partijdig zijn omdat zij na het indienen van het onderhavige wrakingsverzoek nog hebben beslist op een verzoek tot uitstel, overweegt de wrakingskamer als volgt. Uit de toelichting van de rechters ter zitting - die niet is weersproken door verzoekster - volgt dat de afwijzing van het uitstelverzoek niet door hen is genomen. De e-mail van 22 december 2025 waarin de afwijzing is vervat heeft, als gevolg van administratieve systemen, het wrakingsverzoek van de week ervoor ongelukkigerwijs gekruist. Nadien is verzoekster meegedeeld dat de e-mail van 22 december 2025 als niet verzonden moet worden beschouwd. Daarmee vervalt de grondslag van deze wrakingsgrond. Hetgeen namens verzoekster is aangevoerd over de adressering van de e-mail van 22 december 2025 en de stelling dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de bestuurder van verzoekster bij de afwijzing van het verzoek kunnen daarom onbesproken blijven.
Ad wrakingsgrond 5
3.9.
Tot slot de stelling dat een voormalig rechter-plaatsvervanger van deze rechtbank als advocaat betrokken is bij een thans bij het gerechtshof Den Haag aanhangige ‘kostenzaak’. Deze stelling vormt evenmin grond voor wraking, reeds omdat deze zaak niet bij deze rechtbank dient. De gestelde ‘nauwe band’ van de rechter-plaatsvervanger met het dossier – in de hoofdzaak, zo begrijpt de wrakingskamer – maakt dat, voor zover daarvan al sprake zou zijn, niet anders. Onweersproken is dat de betreffende rechter-plaatsvervanger geen enkele zaak dienend voor deze rechtbank heeft behandeld en in augustus 2025 – om die reden – ontslag heeft genomen. Daarbij komt dat geen van de rechters in de hoofdzaak de betreffende rechter-plaatsvervanger kent. Dat de rechter-plaatsvervanger met zijn betrokkenheid in de ‘kostenzaak’ in strijd zou hebben gehandeld met de Leidraad Onpartijdigheid betekent, wat hier verder ook van zij, niet dat de rechters zich hadden dienen te verschonen en door dat niet te doen van vooringenomen of partijdigheid blijk hebben gegeven.
Conclusie
3.10.
Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar advocaat mr. N.V.C. Haneveld;
• de wederpartij in de hoofdzaak p/a haar advocaat mr. J.W. Leedekerken;
• de rechters.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J. Snoeijer, C.F. Mewe en D.M. Drok, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.J. van Rijswijck en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.