Eisers hebben een opvolgend beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. In een eerdere procedure had de rechtbank de minister al opgedragen uiterlijk 30 november 2025 een beslissing te nemen, maar deze verplichting is niet nagekomen.
De rechtbank stelt vast dat het dossier mogelijk nog niet compleet is, maar gelet op het eerdere vonnis en het tijdsverloop bepaalt zij dat de minister binnen vier weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank acht deze dwangsom redelijk en ziet geen aanleiding tot verhoging.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht en een proceskostenvergoeding van € 233,50, gebaseerd op een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.