ECLI:NL:RBDHA:2026:10696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL26.22170
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 VwArt. 59 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op ontduiking toezicht

De minister heeft op 16 april 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 1 mei 2026 via telehoor.

Eiser voerde aan dat hij ten onrechte op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet was opgehouden, omdat zijn identiteit reeds bekend was uit een eerdere inbewaringstelling. De rechtbank oordeelde dat eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, was opgehouden, omdat hij ten tijde van ophouding geen identiteitsdocumenten had. Ook stelde de rechtbank vast dat het terugkeerbesluit van 23 februari 2026 rechtsgeldig was uitgereikt en dat eiser bekend was met de inhoud daarvan.

De rechtbank constateerde dat eiser geen rechtmatig verblijf had en dat de zware en lichte gronden voor bewaring niet waren betwist. Er was voldoende grond om aan te nemen dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. De minister had voortvarend gehandeld en er was zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank zag geen aanleiding om de bewaring als onrechtmatig of onevenredig bezwarend te beschouwen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22170

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Procesverloop

1. De minister heeft op 16 april 2026 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. Eiser voert aan dat hij ten onrechte op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw is opgehouden. Door een eerdere inbewaringstelling was bij de minister al bekend wie hij was en had de ophouding daarom moeten plaatsvinden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat eiser ten tijde van zijn ophouding niet beschikte over identiteitsdocumenten. Dit heeft eiser ook zelf bevestigd tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Gelet hierop heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers identiteit op het moment van ophouding niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser terecht op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw is opgehouden. Dat eiser eerder in vreemdelingenbewaring heeft gezeten maakt niet dat de in die procedure verkregen identiteitsgegevens in onderhavige bewaringsprocedure als onomstotelijk vaststaand moeten worden beschouwd.
Terugkeerbesluit en grondslag
5. Verder betoogt eiser dat onduidelijk is of het terugkeerbesluit van 23 februari 2026 (geldig) is uitgereikt en dat zonder een terugkeerbesluit geen maatregel van bewaring kan worden opgelegd.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het op 23 februari 2026 aan eiser opgelegde terugkeerbesluit dat deze onmiddellijk aan eiser is uitgereikt. Daarnaast heeft de minister op de zitting een pv [2] van ophouding (M105-A) van 23 februari 2026 geüpload. Hieruit volgt dat eiser op 23 februari 2026 aansluitend op strafrechtelijke heenzending is opgehouden en dat deze ophouding is beëindigd omdat eiser een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen. Gelet op deze gang van zaken acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat eiser het terugkeerbesluit van 23 februari 2026 heeft ontvangen en bekend was met de inhoud daarvan. Tot slot overweegt de rechtbank dat het terugkeerbesluit in rechte vaststaat.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op 23 februari 2026 een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen opgelegd gekregen. Eiser heeft Nederland en de EU [3] niet verlaten. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser er door de minister ook op is gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
8. De rechtbank stelt vast dat op 20 april 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Daarmee heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De minister heeft verder op de zitting toegelicht dat op 30 maart 2026 een lp [4] -aanvraag is verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten. Deze is op 28 april 2026 zonder opgaaf van redenen retour gekomen, waarop de minister de lp-aanvraag op 29 april 2026 opnieuw heeft verzonden. Anders dan eiser meent ziet de rechtbank hierin geen reden voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt.
Zicht op uitzetting
9. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht als zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [5] Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Marokko geen lp binnen een redelijke termijn aan eiser zou kunnen verstrekken.
10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [6] Verder stelt de rechtbank vast dat eiser van 29 maart 2026 tot 7 april 2026 ook al in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht, maar dat hij in totaal niet langer dan zes maanden in bewaring zit. [7]

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Proces-verbaal.
3.Europese Unie.
4.Laissez-passer.
5.Zie de Afdelingsuitspraak van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
6.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
7.Zie ook het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.