Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10715

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL26.23508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onttrekkingsrisico ongegrond verklaard

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling geboren in 2002, is op 24 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

Eiser betwist niet de gronden voor de bewaring, behalve dat de feitelijke uitreiking van de maatregel onduidelijk zou zijn. Verweerder heeft toegelicht dat de maatregel direct na ondertekening is uitgereikt. De rechtbank oordeelt dat de zware en lichte gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende toegelicht zijn, met uitzondering van één zware grond die onvoldoende is gemotiveerd, maar dit doet niet af aan de rechtmatigheid van de maatregel.

Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde in de uitzettingsprocedure, maar de rechtbank stelt vast dat binnen een week na oplegging van de maatregel de noodzakelijke stappen zijn gezet, waaronder een vertrekgesprek en een aanvraag voor een laissez-passer.

De rechtbank concludeert dat de maatregel niet onrechtmatig is geweest en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23508

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mw. mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2002 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Uitreiking van de maatregel van bewaring
2. Namens eiser is aangevoerd dat onduidelijk is of de feitelijke uitreiking van de maatregel van bewaring heeft plaatsgevonden. Eiser is namelijk ’s ochtends gehoord op [plaats 1] en de maatregel is om 17:30 uur ondertekend, toen eiser mogelijk al teruggekeerd was naar detentiecentrum [plaats 2] .
3. Verweerder heeft toegelicht dat eiser tot 28 april 2026 heeft verbleven op de locatie [plaats 1] . Gelet hierop is er geen reden om eraan te twijfelen dat verweerder de maatregel onmiddellijk na ondertekening aan eiser heeft uitgereikt.
Gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3i evenals de lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4d feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Dit geldt niet voor de zware grond 3e, die onvoldoende is toegelicht in de maatregel van bewaring. Dit laat onverlet dat de overige gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en voldoende zijn voor de vaststelling van het onttrekkingsrisico.
Voortvarend handelen
6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser heeft tot 28 april op [plaats 1] verbleven en in die periode heeft verweerder weinig handelingen verricht. Pas op 30 april 2026 is een aanvraag voor een lp [4] opgestart, terwijl verweerder al wist dat de maatregel van bewaring omgezet zou worden in verband met de afwijzing van eisers asielaanvraag en hij ook al eerder in bewaring heeft verbleven.
7. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder heeft toegelicht dat op 29 april 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden en dat op 30 april 2026 een lp-aanvraag is ingediend. Verweerder heeft deze handelingen binnen een week na oplegging van de maatregel van bewaring verricht. Hiermee werkt verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.
Ambtshalve toets
8. Ook met in achtneming van de ambtshalve toets is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Laissez-passer.