Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [woonplaats], verzoeker,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Rechtbank Den Haag
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 21 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg tegen het besluit van het UWV van 10 maart 2026. Dit besluit handhaafde het eerdere besluit van 17 juni 2024 waarbij verzoeker een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) werd toegekend.
Verzoeker stelde dat hij betalingsachterstanden had op diverse vaste lasten zoals hypotheek, VvE-bijdrage en zorgverzekering, en dat zijn huidige uitkering lager was dan zijn maandelijkse lasten, waardoor hij in financiële problemen verkeerde. Zijn partner had bovendien een eenmanszaak met cumulatief verlies over meerdere jaren.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker werkte per 1 september 2025 in loondienst en ontving een loonaanvullingsuitkering. Er was geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie zoals faillissement. Ook een brief van een incassobureau en een melding bij het Bureau Krediet Registratie konden niet overtuigen van een onherstelbare financiële situatie.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen. De uitspraak bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.