De minister van Asiel en Migratie legde op 12 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, die hiertegen beroep instelde. Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij een nieuwe asielaanvraag wilde indienen en geen contact kon krijgen met zijn advocaat.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is en waarom een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn. De minister baseerde zich op vijf zware en vier lichte gronden die het risico onderbouwen dat eiser zich aan toezicht onttrekt en uitzetting zou ontwijken. Eiser betwistte deze gronden niet.
Daarnaast speelde mee dat eiser zich eerder onttrok aan toezicht door zich te verstoppen bij een eerdere uitzettingspoging, waardoor de uitzetting niet kon worden afgerond. De rechtbank concludeert dat de minister terecht niet volstond met een lichter middel.
De rechtbank toetste ambtshalve of de maatregel nog rechtmatig was en vond geen reden tot anders. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de proceskosten niet vergoed.