Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10797

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL25.18235
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting van Nigeriaanse verzoekers

Verzoekers, van Nigeriaanse nationaliteit, hadden een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen gekregen door de minister van Asiel en Migratie. Tegen dit besluit maakten zij bezwaar en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die hun uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar was beslist.

De minister verzette zich niet tegen het verzoek om de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen geschil bestond over het uitstel van uitzetting en wees het verzoek toe als kennelijk gegrond. De uitzetting werd verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar, met de mogelijkheid dat de voorziening vervalt bij intrekking of beëindiging van het bezwaar.

Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoekers. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoekers tot vier weken na beslissing op bezwaar en veroordeelt de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.18235
V-nummers: [v nummer 1]
[v nummer 2]
[v nummer 3]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker 1] , geboren op [geboortedag 1] 1978,

[verzoeker 2], geboren op [geboortedag 2] 2012,
[verzoeker 3], geboren op [geboortedag 3] 2014,
allen van Nigeriaanse nationaliteit, hierna gezamenlijk: verzoekers
(gemachtigde: mr. A.S. Bodha),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Bij besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] ’ afgewezen.
1.1.
Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast hebben verzoekers op 16 april 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt hun uitzetting te verbieden totdat op hun bezwaar is beslist.
1.2.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op 27 november 2025 heeft verweerder de rechtbank laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekers totdat er een beslissing is genomen op hun bezwaar.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat van uitzetting van verzoekers moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. Indien het bezwaar wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. Omdat het verzoek wordt toegewezen moet verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekers vergoeden. Daarnaast moet verweerder aan verzoekers een proceskostenvergoeding betalen. De voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 934,- (1 punt voor het indienen van verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt verboden om verzoekers uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoekers moet vergoeden;
- bepaalt dat verweerder de proceskosten van verzoekers moet vergoeden tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.