Verzoekers, van Nigeriaanse nationaliteit, hadden een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen gekregen door de minister van Asiel en Migratie. Tegen dit besluit maakten zij bezwaar en verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die hun uitzetting zou verbieden totdat op het bezwaar was beslist.
De minister verzette zich niet tegen het verzoek om de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen geschil bestond over het uitstel van uitzetting en wees het verzoek toe als kennelijk gegrond. De uitzetting werd verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar, met de mogelijkheid dat de voorziening vervalt bij intrekking of beëindiging van het bezwaar.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoekers. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.