ECLI:NL:RBDHA:2026:10798
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Verzoekers, waaronder minderjarige kinderen, hadden een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen de besluiten van de minister van Asiel en Migratie. De minister had hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van hun asielaanvragen op grond van de Dublin-verordening.
De voorzieningenrechter behandelde de verzoeken op 21 april 2026, samen met andere zaken met vergelijkbare inhoud. Op dezelfde dag deed de rechtbank uitspraak op de beroepen tegen de bestreden besluiten, waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was.
De voorzieningenrechter wees daarom de verzoeken om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. P.J. Blok en is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af omdat de rechtbank reeds uitspraak heeft gedaan op het beroep.