ECLI:NL:RBDHA:2026:10802
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning tijdelijk humanitaire gronden na sepot mensenhandel
Eiseres, afkomstig uit Uganda, diende op 8 juli 2023 een asielaanvraag in en deed op 16 november 2023 aangifte van mensenhandel. Naar aanleiding hiervan verleende de minister op 22 november 2023 een verblijfsvergunning tijdelijk humanitaire gronden, geldig tot 22 november 2024. Na een sepotbesluit van het Openbaar Ministerie op 28 november 2023 werd de vergunning op 28 november 2023 ingetrokken omdat de strafrechtelijke grondslag verviel.
Eiseres verzocht vervolgens om ambtshalve wijziging van de vergunning naar een niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning, maar de minister wees dit af wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank oordeelt dat de minister de intrekking en het niet verlenen van een niet-tijdelijke vergunning deugdelijk heeft gemotiveerd, mede omdat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van mensenhandel.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat artikel 8 EVRM Pro geen recht geeft op een verblijfsvergunning in deze situatie en dat de minister niet verplicht was eiseres te horen over haar slachtofferschap of privéleven, omdat haar onderbouwing onvoldoende concreet was. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en weigering blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning tijdelijk humanitaire gronden en het niet verlenen van een niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.