ECLI:NL:RBDHA:2026:10823
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen wegens ondeugdelijke belangenafweging
Eiser, een Indiase nationaliteit houdende persoon die sinds 2018 in Nederland verblijft, diende een aanvraag in voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Na intrekking van zijn eerdere verblijfsvergunning wegens beëindiging van zijn relatie, werd zijn aanvraag afgewezen door verweerder. De rechtbank oordeelde in een eerdere uitspraak dat verweerder onvoldoende was ingegaan op het beroep van eiser op zijn recht op privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro.
In het bestreden besluit handhaafde verweerder de afwijzing, stellende dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitviel. Eiser betoogde dat hij een substantieel privéleven in Nederland heeft opgebouwd en dat de belangenafweging ten onrechte negatief was. De rechtbank concludeerde dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende had gemotiveerd en een ondeugdelijke belangenafweging had gemaakt, waarbij niet duidelijk was welke belangen werden betrokken en hoe deze werden gewogen.
De rechtbank verwierp de stelling van verweerder dat de belangenafweging tussen de regels door te lezen was en vond ook de ingediende verweerschriften onvoldoende. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, veroordeelde verweerder in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan eiser moet worden vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de EU-verblijfsvergunning wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.