Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL25.50817 en NL25.50819
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing aanvraag verblijf familielid Unieburger wegens schending hoorplicht

Eiser, met de Turkse nationaliteit, verzocht om verblijf als familielid van een Unieburger, zijn partner met de Bulgaarse nationaliteit. De minister wees de aanvraag af omdat onvoldoende bewijs was geleverd dat zij zes maanden samenwoonden of een duurzame relatie hadden. Het bezwaar werd kennelijk ongegrond verklaard en er werd afgezien van een hoorzitting.

Eiser stelde dat hij voldoende bewijs had geleverd, waaronder foto’s, verklaringen van winkeleigenaren, uitnodigingen, facturen, een tekening, bankafschriften en een inschrijving in de BRP. De rechtbank oordeelde dat de minister de stukken vooral los van elkaar had beoordeeld en ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond had verklaard zonder hoorzitting.

De rechtbank stelde dat een hoorzitting in deze situatie juist passend was om onduidelijkheden op te helderen en ontbrekende informatie te verkrijgen. Het besluit was in strijd met de hoorplicht en werd vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was beslist. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging en het respecteren van de hoorplicht bij beslissingen die het familieleven raken onder artikel 8 EVRM Pro.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.50817 en NL25.50819
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.I. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor toetsing aan het EU-recht als familielid van een Unieburger. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag met het besluit van 18 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Sivridag als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en beoogt verblijf bij zijn gestelde partner
mevrouw [naam] (hierna: referente). Referente heeft de Bulgaarse nationaliteit. Eiser en referente stellen sinds 30 september 2023 samen te wonen.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder maken de overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk dat eiser en referente gedurende zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of gedurende ten minste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. Eiser is daarom niet aangemerkt als familielid in de zin van artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb). Omdat eiser niet de juiste bewijsstukken en informatie heeft overgelegd, is er onvoldoende begin van bewijslevering gemaakt en heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarom ook afgezien van het horen in bezwaar.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van mening dat hij met de overgelegde bewijsstukken wel voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een duurzame relatie. Verweerder heeft eisers aanvraag met een bepaalde vooringenomenheid behandeld. Het besluit is ook in strijd met eisers recht op familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Bij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM moet altijd een belangenafweging worden verricht en uit het besluit blijkt niet dat een evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft verweerder het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond afgedaan en eiser en referente niet gehoord.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Het uitgangspunt is dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord, voordat verweerder op het bezwaar beslist. [2] Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt. [3] Verweerder kan, onder andere, afzien van horen wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. [4] Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand nalaat zijn bezwaar te motiveren of in het bezwaarschrift alleen maar een herhaling van zetten geeft. [5] In gevallen waarin iemand in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of in de situatie waarin er nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan, kan een gehoor juist uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen. De vraag of verweerder in dergelijke situaties toch van een gehoor af kan zien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. De vuistregel hierbij is dat naarmate iemand meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting. [6]
6. Eiser en referente hebben in bezwaar, in aanvulling op de stukken die zij bij de aanvraag hebben overgelegd, de volgende stukken overgelegd: foto’s met data erbij, verklaringen van verschillende winkeleigenaren waar zij samen inkopen doen, twee uitnodigingen voor bruiloften, facturen van aankopen en bonnen van activiteiten, een tekening van de zoon van referente, een bankafschrift van eiser, en een uittreksel uit de BRP waaruit blijkt dat eiser vanaf 28 november 2023 op hetzelfde adres staat ingeschreven als referente. Verweerder heeft over de overgelegde stukken onder andere overwogen dat uit een inschrijving in de BRP zonder aanvullend bewijs niet kan worden afgeleid dat eiser en referente
feitelijkzes maanden samenwonen en hier een duurzame relatie aan ten grondslag ligt; dat uit de verklaringen van de winkeleigenaren alleen blijkt dat eiser en referente samen deze winkels bezoeken en dat hieruit niet kan worden afgeleid dat zij een duurzame relatie onderhouden en feitelijk samenwonen; dat uit de bankafschriften blijkt dat eiser meermaals geldbedragen heeft overgeboekt naar referente maar de context van deze bedragen onbekend is, omdat de overboekingen niet zijn voorzien van een toelichting; dat wat betreft de tekening niet kan worden geverifieerd dat de tekening is gemaakt door de zoon van referente noch dat de tekening de gezinssituatie van eiser en referente weergeeft; en dat verweerder vraagtekens zet bij de vermelde data en tijdstippen van de overgelegde foto’s.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en heeft afgezien van horen in bezwaar omdat niet de ‘juiste’ bewijsstukken zijn overgelegd. Hoewel in het bestreden besluit staat dat verweerder de overgelegde stukken zowel op zichzelf staand als in samenhang heeft beoordeeld, blijkt uit de besluitvorming dat de stukken voornamelijk op zichzelf staand zijn beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde stukken, in samenhang bezien, in ieder geval getuigen van voldoende inspanning van de kant van eiser en referente om te onderbouwen dat zij zes maanden feitelijk hebben samengewoond en/of gedurende ten minste zes maanden een duurzame relatie hebben onderhouden. Een gehoor had in dit geval juist uitkomst kunnen bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen en onduidelijkheden op te helderen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de hoorplicht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [7]
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 14 oktober 2025;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
De rechtbank/de voorzieningenrechter:
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 388,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.
4.Zie artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.1.
6.Ibid., r.o. 5.2.
7.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.