ECLI:NL:RBDHA:2026:10844

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL25.63902
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 29 VwVluchtelingenverdrag 1951Protocol van New York 1967Artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende risico op ernstige schade en geen schending artikel 8 EVRM

Eiseres, een Marokkaanse vrouw, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege problemen met haar vader en de vrees voor ernstige schade bij terugkeer naar Marokko. Zij is gehuwd met een Syrische man en heeft een minderjarige zoon. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van een reëel risico op ernstige schade en het niet voldoen aan de voorwaarden voor een reguliere verblijfsvergunning.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de problemen met de vader wel geloofwaardig zijn, maar niet leiden tot een reëel risico op ernstige schade. Er zijn geen concrete bedreigingen of aanwijzingen dat eiseres gevaar loopt bij terugkeer. De rechtbank stelde vast dat het gezinsleven erkend wordt, maar dat het ontbreken van rechtmatig verblijf van eiseres en haar partner betekent dat artikel 8 EVRM Pro niet wordt geschonden door het niet toekennen van een verblijfsvergunning.

Verder concludeerde de rechtbank dat de belangen van het minderjarige kind voldoende zijn betrokken bij de beoordeling en dat het gezin het gezinsleven buiten Nederland kan voortzetten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63902

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon:
[minderjarige] , geboren [geboortedatum 1] 2022,
(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.R. Vink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft op 6 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Ali als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiseres heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 2] 1994. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij problemen heeft ervaren met haar vader tijdens haar jeugd. Eiseres is op jonge leeftijd door haar vader uitgehuwelijkt. Zij is vervolgens van deze man gescheiden en in 2021 naar Turkije vertrokken. Zij is daar gehuwd met haar huidige Syrische man en daar bevallen van haar eerste kind. In 2023 is eiseres met haar man en hun zoon naar Europa vertrokken. Eiseres vreest bij terugkeer voor problemen met haar vader vanwege haar eerdere scheiding. De terugkeer naar Marokko zou een scheiding tussen haar en haar man veroorzaken. Zij kan ook niet naar Syrië vanwege de instabiele en onveilige situatie daar.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
de problemen met haar vader.
3.1.
Verweerder vindt het eerste asielmotief deels geloofwaardig. Verweerder vindt de identiteit niet geloofwaardig, de nationaliteit en herkomst vindt hij wel geloofwaardig. Eiseres heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit. Verweerder heeft getoetst of eiseres haar identiteit anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft volgens verweerder ter onderbouwing van haar identiteit niet voldoende documenten overgelegd en heeft daar geen goede verklaring voor. [1] Ook vindt verweerder dat eiseres niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. [2] Het tweede asielmotief vindt verweerder wel geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven zijn volgens verweerder onvoldoende om aan te nemen dat zij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag [3] of dat zij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade. [4] Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond. Ook vindt verweerder dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor het krijgen van een reguliere verblijfsvergunning.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – in het kort - het volgende aan. Ten eerste verzoekt zij haar ingediende zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen nu verweerder onvoldoende inhoudelijk ingaat op wat zij in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Over de problemen met haar vader heeft verweerder volgens eiseres ten onrechte gesteld dat deze niet zwaarwegend genoeg zijn en vindt zij dat verweerder geen kenbare belangenafweging heeft gemaakt. Verder vindt eiseres dat verweerder artikel 8 van Pro het EVRM [5] onjuist heeft toegepast, nu verweerder miskent dat het recht op gezinsleven niet afhankelijk is van het hebben van een verblijfsvergunning in Nederland. Eiseres voert aan dat verweerder in strijd met jurisprudentie van het EHRM [6] heeft gehandeld, nu hij heeft nagelaten de belangen van het minderjarige kind kenbaar en expliciet te betrekken bij de beoordeling van artikel 8 van Pro het EVRM. Ten slotte voert eiseres aan dat artikel 8 van Pro het EVRM wordt geschonden nu eiseres en haar echtgenoot uitstel van vertrek vanwege medische redenen hebben gekregen en hun minderjarig kind als enige een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen. Hierdoor worden ouders en kind gescheiden van elkaar. Het bestreden besluit is om deze reden ook in strijd met artikel 24 van Pro het Handvest. [7]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Herhaald en ingelast
6. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder onvoldoende inhoudelijk ingaat op wat zij in de zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft zij op zitting laten vallen. Dit is dus verder niet in geschil.
Risico op ernstige schade
7. Verweerder vindt geloofwaardig dat eiseres problemen heeft ervaren met haar vader. De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hoewel hij eiseres volgt in het feit dat zij wegens haar strenge opvoeding een zekere vrees heeft voor haar vader en dat haar vader niet accepteert dat zij met een niet-Marokkaanse man is getrouwd, er buiten het uitschelden waarover zij heeft verklaard geen indicatie is dat eiseres om deze reden een risico loopt op ernstige schade. Eiseres heeft geen concrete bedreigingen naar voren gebracht om haar vrees bij terugkeer te onderbouwen. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee in zijn beoordeling wel degelijk – en kenbaar – een risico inschatting heeft gemaakt.
Verblijfsvergunning regulier
8. Partijen zijn erover eens dat er sprake is van gezinsleven, maar zij zijn het niet eens over de vraag of het niet toekennen van een verblijfsvergunning regulier een schending van artikel 8 van Pro het EVRM oplevert.
9. De rechtbank overweegt dat verweerder bij de toets aan artikel 8 van Pro het EVRM in dit geval geen afzonderlijke belangenafweging heeft hoeven maken. Eiseres noch haar partner hebben rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning, nu de asielaanvragen van alle gezinsleden worden afgewezen, zodat er geen sprake is van een inmenging. Aan de vraag of deze inmenging gerechtvaardigd is en waarbij een belangenafweging moet plaatsvinden, wordt daarom niet toegekomen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 8 van Pro het EVRM geen recht geeft op domiciliekeuze en niet zo kan worden geïnterpreteerd dat gezinsleven in Nederland moet worden gefaciliteerd bij het ontbreken van geldig verblijfsrecht. Verweerder heeft gelet op het voorgaande terecht het standpunt ingenomen dat het niet toekennen van een verblijfsvergunning regulier geen schending van artikel 8 van Pro het EVRM oplevert.
10. Bovendien heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook niet nagelaten om de belangen van de minderjarige kinderen te betrekken bij de beoordeling onder artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het gezin het gezinsleven gezamenlijk buiten Nederland kan voorzetten. Op zitting heeft verweerder verhelderd dat er aan alle gezinsleden terugkeerbesluiten zijn opgelegd. De drie terugkeerbesluiten zijn enkel tijdelijk opgeschort wegens uitstel van vertrek om medische redenen. Het standpunt van eiseres dat haar kind als enige een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen en dat daarom sprake is van strijd met artikel 24 van Pro het Handvest is daarmee niet meer aan de orde.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.
12. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder b, van de vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
3.Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
4.Artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
6.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.