Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10848

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699848 KG ZA 26-185
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot verwijdering van GVM-status risicogedetineerde

De zaak betreft een gedetineerde die als risicogedetineerde met een hoge GVM-status is aangemerkt vanwege een reëel risico op liquidatie en bedreiging in detentie. De gedetineerde vordert verwijdering van deze status omdat hij stelt dat het gevaar alleen in het buitenland bestaat en niet in Nederland.

De rechtbank stelt vast dat de gedetineerde in het verleden belastende verklaringen heeft afgelegd tegen een criminele organisatie en dat er meerdere rapporten en verklaringen zijn die wijzen op een dreiging, ook binnen Nederland. De selectiefunctionaris heeft op basis van een integrale belangenafweging en advies van het Overleg Risicogedetineerden (ORG) besloten de GVM-status toe te kennen.

De rechtbank oordeelt dat de selectiefunctionaris een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de Staat voldoende heeft onderbouwd waarom de GVM-status gerechtvaardigd is. De gedetineerde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de dreiging territoriaal beperkt is of dat minder ingrijpende maatregelen volstaan.

De vordering tot verwijdering van de GVM-lijst wordt afgewezen, evenals de verzoeken tot melding aan de penitentiaire inrichting en dwangsommen. De gedetineerde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vordering tot verwijdering van de GVM-status risicogedetineerde wordt afgewezen omdat de Staat terecht een reëel liquidatie- en bedreigingsrisico heeft vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699848 KG ZA 26-185
Vonnis in kort geding van 6 mei 2026
in de zaak van
[eiser]thans gedetineerd in PI [plaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. T.R.S. Franssen,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDENzetelende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Crom.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 februari 2026 met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9;
- de brief van [eiser] met producties 5 tot en met 8;
- de brief van [eiser] met producties 9 en 10;
- de door de Staat overgelegde pleitnotitie.
1.2.
Op 19 maart 2026 zou de mondelinge behandeling plaatsvinden. Vanwege problemen met de videoverbinding en de tolk en vanwege medische klachten van [eiser] is de procedure aangehouden. Vervolgens heeft de mondelinge behandeling op 22 april 2026 plaatsgevonden in de rechtbank [plaats 1] . Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is in het verleden als informant voor de [organisatie] actief geweest in de [regio 1] onderwereld. [eiser] heeft belastende verklaringen afgelegd over enkele prominente leden van een criminele organisatie die in verdovende middelen handelt. Op enig moment is [eiser] naar Nederland vertrokken.
2.2.
Op 29 november 2021 is aan [eiser] in [land] een gevangenisstraf van 6 jaar opgelegd. Op 23 december 2021 is door het Stadsparket [plaats 2] ( [land] ) een Europees aanhoudingsbevel tot aanhouding en overlevering van [eiser] uitgevaardigd. Diezelfde dag heeft de [organisatie] een schriftelijke verklaring afgelegd, waarin de [organisatie] onder meer verklaart dat [eiser] in [land] , en met name in het [land] gevangenissysteem, het risico loopt te worden geliquideerd vanwege de door hem afgelegde verklaringen.
2.3.
Nadat [eiser] was aangehouden heeft de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam op 10 april 2024 bevolen om de in [land] aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf in Nederland ten uitvoer te leggen. De overlevering van [eiser] naar [land] is geweigerd.
2.4.
Op 11 april 2025 heeft het Gedetineerden Recherche Intelligencepunt (hierna: GRIP) een rapport over [eiser] opgesteld. Uit het rapport volgt dat de vrouw van [eiser] , mevrouw [vrouw van eiser] (hierna: [vrouw van eiser] ), de politie heeft benaderd. [vrouw van eiser] heeft te kennen gegeven dat de [nationaliteit 1] en [nationaliteit 2] criminelen die het op [eiser] en zijn gezin hebben gemunt, ook actief zijn in Nederland en daar vaak aanwezig zijn. Volgens contacten van [vrouw van eiser] uit [land] die dicht op de [land] onderwereld zitten, zijn deze criminelen actief op zoek naar [eiser] en zijn gezin. Uit dit GRIP-rapport volgt verder dat [eiser] in Nederland meermaals is herkend door medegedetineerden. Een van deze medegedetineerden heeft verklaard dat hij vreest voor de levens van [eiser] en zijn gezin. Daarnaast heeft [vrouw van eiser] te kennen gegeven dat zij ervoor vreesde dat breder bekend werd dat [eiser] in PI [plaats 3] verbleef. Om die reden durfde [eiser] niet om overplaatsing te verzoeken via de gebruikelijke route, omdat het risico dan groter zou zijn dat achtergrond van [eiser] en/of het woonadres van zijn gezin breder bekend zou(den) worden. Verder is in dit GRIP-rapport opgenomen dat [eiser] zich ernstige zorgen maakte over zijn eigen veiligheid en die van zijn gezin nadat de Nederlandse politie [eiser] op verzoek van de [land] autoriteiten had benaderd.
2.5.
Op 27 juni 2025 heeft het GRIP een tweede rapport over [eiser] opgesteld. Het rapport vermeldt dat [vrouw van eiser] op [datum 1] een e-mail aan het OM heeft gestuurd waarin zij, voor zover relevant, de volgende punten benoemt:
“- Dat zij op [datum 2] kenbaar heeft gemaakt bij het OM dat zij, haar man en
hun gezin gevaar lopen.
- Dat er na haar e-mail geen maatregelen genomen zijn.
- Dat zij weet dat er is uitgelopen bij de [organisatie] of de informatie echt was en dat
de [organisatie] de informatie over de dreiging heeft bevestigd.
[…]
- Dat haar woonadres nog altijd wordt gebruikt door PI [plaats 3] , als het gaat om
officiële documenten, ondanks dat hij staat ingeschreven op het adres van de
PI.
- Dat dit extra gevaar met zich meebrengt, aangezien zij in de buurt van de PI
wonen.
- Dat [eiser] aangeeft dat enkele [nationaliteit 2] mede-gedetineerden, waar de
dreiging mede vandaan komt, [eiser] hebben herkend in de PI.
- Dat deze mede-gedetineerden binnenkort vrij komen, wat voor extra stress en
angst zal zorgen bij [vrouw van eiser] en haar kinderen.
- Dat zij contact heeft met de [organisatie] en dat de [organisatie] ook serieuze zorgen heeft,
maar dat zij niets kunnen doen omdat zij niet de bevoegdheid hebben.
[…]
- Dat zij weet dat menig gedetineerde in Nederland wordt overgeplaatst, zonder
hele sterke argumenten. Maar dat in deze casus er al 2 maanden geen actie
wordt ondernomen, terwijl er daadwerkelijk bewezen en bevestigd is dat er
een dreiging is.
[…]
- Dat zij, op aanraden van de [organisatie] , geen informatie meer deelt met een
advocaat in verband met de gevoeligheid van deze casus en het risico van
het lekken van informatie.
- Dat zij de officier van justitie vraagt om actie te ondernemen en [eiser] over
te plaatsen.
- Dat als PI [plaats 4] geen optie is, dat dan een andere PI misschien wel
een optie is.
- Dat het in ieder geval een PI ver weg van [plaats 3] moet zijn.
- Dat de dreiging alsmaar voortduurt en dat het niet nemen van maatregelen,
de dreiging in stand houdt.”
2.6.
Op 9 juli 2025 is [eiser] op de lijst van gedetineerden met een vlucht- of maatschappelijk risico (de GVM-lijst) geplaatst met de status ‘hoog’ op basis van de destijds geldende GVM-circulaire, vanwege (risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde.
2.7.
Op 17 juli 2025 heeft de PI [plaats 3] verzocht om [eiser] over te plaatsen naar een PI buiten de [regio 2] nadat [eiser] te kennen had gegeven dat hij zich zorgen maakt over zijn veiligheid en die van zijn gezin. Bij besluit van 23 juli 2025 heeft de selectiefunctionaris besloten om [eiser] over te plaatsen naar de PI [plaats 5] . De directie van de PI [plaats 5] heeft vervolgens verzocht om [eiser] over te plaatsen naar een [afdeling] , omdat sprake was van dusdanige liquidatiedreiging dat de veiligheid van [eiser] in een regulier regime niet kon worden gegarandeerd. Bij besluit van 1 augustus 2025 heeft de selectiefunctionaris daarom besloten om [eiser] over te plaatsen naar de [afdeling] van de PI [plaats 1] .
2.8.
Op 13 augustus 2025 heeft (de advocaat van) [eiser] de PI [plaats 1] verzocht om hem zo spoedig mogelijk over te plaatsen naar een normaal gevangenisregime, niet zijnde een [afdeling] dan wel een andere afdeling met een zwaar regime.
2.9.
Op 4 november 2025 heeft (de advocaat van) [eiser] een verzoek gedaan tot overplaatsing naar een inrichting waar de veiligheid van [eiser] kan worden gegarandeerd, bij voorkeur in een individueel regime. Het verzoek tot overplaatsing is bij besluit van 16 december 2025 afgewezen door de selectiefunctionaris.
2.10.
Op 14 januari 2026 is [eiser] besproken in het Overleg Risicogedetineerden (hierna: ORG). Het ORG heeft geadviseerd om [eiser] (op basis van de per 1 november 2025 geldende GVM-circulaire) als risicogedetineerde aan te merken. De selectiefunctionaris heeft dit advies overgenomen en heeft op 14 januari 2026 besloten om aan [eiser] de GVM-status risicogedetineerde toe te kennen voor een periode van 12 maanden vanwege het risico op liquidatie of bedreiging in detentie van [eiser] .
2.11.
Op 20 januari 2026 heeft de PI [plaats 1] een verzoek gedaan om [eiser] uit te plaatsen van de [afdeling] en hem over te plaatsen naar het huis van bewaring van de PI [plaats 1] . Bij besluit van 28 januari 2026 heeft de selectiefunctionaris positief op het verzoek beslist.
2.12.
Uit een brief van de directeur van de PI [plaats 1] volgt dat aan [eiser] met ingang van 22 januari 2026 voor de duur van twaalf maanden een aantal veiligheidsmaatregelen is opgelegd:
“- Bezoek: screening van persoonlijke relaties door GRIP en LBIV;
- Bezoek: opnemen, meeluisteren en vertalen van gesprekken. Zo nodig toezenden aan het GRIP;
- Toezicht op beweging door de inrichting;
- Geen plaatsing op meerpersoonscel;
- Vervoer minimum: apart compartiment of voerruig.”
2.13.
Op 2 maart 2026 heeft de beroepsrechter van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de plaatsing in de [afdeling] in de PI [plaats 1] , omdat [eiser] daar niet langer verblijft.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de Staat beveelt om [eiser] met onmiddellijke ingang te verwijderen van de GVM-lijst en hem daarvan verwijderd moet houden, althans een zodanige voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
II. beveelt dat de Staat van de verwijdering onverwijld schriftelijk melding maakt aan de directeur van de PI waar [eiser] verblijft, althans een zodanige voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
III. bepaalt dat de Staat een dwangsom verbeurt van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan waarop de Staat nalaat aan (een of meer van) de onder 1 en 2 genoemde bevelen te voldoen, met een maximum van € 5.000, althans een zodanige voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
IV. bepaalt dat de proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Aan [eiser] is ten onrechte de GVM-status risicogedetineerde toegekend. Er is geen sprake van risico op liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van [eiser] in Nederland. Het liquidatiegevaar geldt alleen voor [land] en is territoriaal begrensd. In Nederland is geen sprake van dreiging of gevaar voor [eiser] . [eiser] heeft eerder in de PI [plaats 5] verbleven zonder GVM-status. Daar hebben geen (veiligheids)incidenten plaatsgevonden, hetgeen een sterke contra-indicatie vormt voor de beslissing dat [eiser] in Nederland gevaar loopt. Daarnaast heeft de Staat ten onrechte niet onderzocht of minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn die voldoende bescherming bieden. De Staat handelt onrechtmatig door aan [eiser] de GVM-status risicogedetineerde toe te kennen.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt door hem op de GVM-lijst geplaatst te houden. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter, gegeven. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen.
4.2.
De Staat stelt zich primair op het standpunt dat [eiser] onvoldoende belang bij zijn vorderingen heeft en niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Volgens de Staat wil [eiser] met deze procedure bereiken dat de door de directeur van de PI [plaats 1] opgelegde toezichtsmaatregelen komen te vervallen. Daarvoor staat een andere rechtsgang open: de beklagprocedure bij de commissie van toezicht en de beroepsprocedure bij de RSJ. Ook maakt het voor de opgelegde toezichtsmaatregelen niet uit of de GVM-status van [eiser] wordt verwijderd, omdat de directeur van de PI [plaats 1] heeft bevestigd dat de toezichts-maatregelen niet (dienen te) worden afgeschaald bij verwijdering van de GVM-status van [eiser] , aldus de Staat.
4.3.
Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat zijn belang deels is gelegen in de opheffing van de toezichtsmaatregelen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de toezichtsmaatregelen ertoe leiden dat de toegang tot medische zorg en het contact met zijn gezin worden beperkt. Afgezien van het feit dat niet aannemelijk is geworden dat de toezichtsmaatregelen onaanvaardbare gevolgen voor [eiser] hebben, geldt het volgende. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat voor [eiser] een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat om tegen de toezichtsmaatregelen op te komen. [eiser] vordert echter (niet het opheffen van de toezichtsmaatregelen maar) verwijdering van de GVM-lijst. [eiser] heeft deze vordering tevens ingesteld omdat de oorzaak van de beperking in het contact met zijn gezin volgens hem ook is gelegen in het feit dat [eiser] als risicogedetineerde is aangemerkt. [eiser] bevindt zich sinds kort in de re-integratiefase, waardoor hij af en toe voor korte periodes naar huis zou mogen. [eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat hij in het kader van de re-integratiefase niet naar huis mag vanwege zijn GVM-status. Gelet hierop en omdat voor [eiser] wat dit betreft geen andere rechtsgang openstaat om de door hem beoogde verwijdering van de GVM-lijst te bewerkstelligen, is hij ontvankelijk in zijn vorderingen.
4.4.
Plaatsing van gedetineerden op de GVM-lijst is geregeld in de GVM-circulaire. De selectiefunctionaris beslist of de status van risicogedetineerde wordt toegekend na een advies van het ORG. Het ORG maakt een inschatting van de ernst van de risico's op basis van aangeleverde informatie van de betrokken inrichting, het GRIP, het OM en/of het Landelijk Bureau Inlichtingen & Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen. De selectie-functionaris maakt vervolgens een individuele belangenafweging en beslist welk risicoprofiel wordt toegekend aan de gedetineerde. Gedetineerden die als risicogedetineerde zijn aangemerkt worden periodiek opnieuw besproken waarna het risico wordt herbeoordeeld.
4.5.
Bij de beoordeling over de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst komt de selectiefunctionaris een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. De voorzieningenrechter kan het besluit van de selectiefunctionaris dan ook slechts terughoudend toetsen. Voor ingrijpen is slechts plaats indien de selectiefunctionaris naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen om [eiser] als risicogedetineerde aan te merken.
4.6.
De huidige GVM-status van risicogedetineerde van [eiser] is uitsluitend gebaseerd op indicatie C: risico op liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van (of door) de gedetineerde. [eiser] betwist dat van een dergelijk risico sprake is. Volgens [eiser] bestond dit risico uitsluitend in [land] en is het risico territoriaal begrensd. In Nederland zou [eiser] geen gevaar lopen. Het risico bestaat inmiddels ook niet meer in [land] omdat er een andere regering is gekozen en omdat een aantal criminelen in [land] is vastgezet. Daarnaast heeft [eiser] eerder in de PI [plaats 5] verbleven zonder GVM-status en zonder dat (veiligheids) incidenten hebben plaatsgevonden. Volgens [eiser] heeft niemand te kennen gegeven dat hij in Nederland enig gevaar loopt en is de informatie waarop het besluit hem als risicogedetineerde aan te merken is gebaseerd niet actueel, niet betrouwbaar en niet concreet. Daarnaast had de Staat moeten onderzoeken of minder ingrijpende maatregelen afdoende bescherming zouden bieden, aldus [eiser] .
4.7.
De Staat stelt zich op het standpunt dat de selectiefunctionaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten [eiser] als risicogedetineerde aan te merken. De Staat meent dat niet ter discussie staat dat sprake is van liquidatiegevaar. Zelfs indien dit gevaar in Nederland niet concreet zou zijn, is alleen al vanwege de liquidatiedreiging gegeven dat [eiser] terecht op de GVM-lijst staat. Het GVM-beleid, dat op zichzelf niet door [eiser] ter discussie is gesteld, heeft mede ten doel om veiligheidsrisico’s in een vroeg stadium in beeld te krijgen. Daarnaast bepleit de Staat dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat de dreiging territoriaal begrensd zou zijn en dat zijn stelling haaks staat op zijn gedrag in detentie en het gedrag van [vrouw van eiser] en haar e-mails aan het OM. Verder is [eiser] in detentie herkend door gedetineerden die zijn gelieerd aan de criminele organisatie waar de dreiging vandaan komt, waarna [eiser] en [vrouw van eiser] dringende verzoeken om overplaatsing deden. Ook hebben personen die aan de criminele organisatie gelieerd zijn aan [vrouw van eiser] laten weten dat de criminele organisatie ook in Nederland opereert en actief naar [eiser] en zijn gezin op zoek is.
4.8.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat met het voorgaande voldoende onderbouwd waarom het in de rede ligt [eiser] aan te merken als risicogedetineerde. Dat de door de Staat gebruikte informatie uit 2025 stamt, leidt er niet toe dat zij haar betekenis heeft verloren. De aard van de risico-inschatting brengt mee dat niet steeds concrete en recente incidenten vereist zijn om een reëel risico op liquidatiegevaar aan te kunnen nemen. Het gaat om een integrale beoordeling van factoren. Gelet op het door de Staat aangevoerde, met name ten aanzien van het gedrag en de eerdere uitlatingen van [eiser] en [vrouw van eiser] en het feit dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de dreiging territoriaal begrensd is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om [eiser] als risicogedetineerde aan te merken. Dat geldt temeer omdat (de advocaat van) [eiser] op 4 november 2025 zelf een verzoek heeft gedaan tot overplaatsing naar een inrichting ‘waar de veiligheid van [eiser] kan worden gegarandeerd, bij voorkeur in een individueel regime.’ Dit verzoek is gedaan nadat [eiser] medewerkers van de PI [plaats 3] in de PI [plaats 1] had gezien, terwijl volgens [eiser] in het verleden vertrouwelijke informatie over zijn verblijf zou zijn uitgelekt vanuit de PI [plaats 3] . Ook hieruit volgt dat [eiser] kennelijk zelf in de veronderstelling verkeert dat hij ook in Nederland gevaar loopt.
4.9.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de selectiefunctionaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [eiser] als risicogedetineerde aan te merken. [eiser] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de Staat onrechtmatig handelt door zijn plaatsing op de GVM-lijst te handhaven. De vordering tot verwijdering van de GVM-lijst zal daarom worden afgewezen. Als gevolg daarvan worden ook de vordering luidende dat de Staat aan de directeur van de PI melding moet maken van de verwijdering van de GVM-lijst en de gevorderde dwangsommen afgewezen.
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, voor compensatie van die kosten bestaat geen grond.
De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 760
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.684
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat, begroot op € 1.684, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart de onder 5.2 en 5.3 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
3556