ECLI:NL:RBDHA:2026:10848
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot verwijdering van GVM-status risicogedetineerde
De zaak betreft een gedetineerde die als risicogedetineerde met een hoge GVM-status is aangemerkt vanwege een reëel risico op liquidatie en bedreiging in detentie. De gedetineerde vordert verwijdering van deze status omdat hij stelt dat het gevaar alleen in het buitenland bestaat en niet in Nederland.
De rechtbank stelt vast dat de gedetineerde in het verleden belastende verklaringen heeft afgelegd tegen een criminele organisatie en dat er meerdere rapporten en verklaringen zijn die wijzen op een dreiging, ook binnen Nederland. De selectiefunctionaris heeft op basis van een integrale belangenafweging en advies van het Overleg Risicogedetineerden (ORG) besloten de GVM-status toe te kennen.
De rechtbank oordeelt dat de selectiefunctionaris een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de Staat voldoende heeft onderbouwd waarom de GVM-status gerechtvaardigd is. De gedetineerde heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de dreiging territoriaal beperkt is of dat minder ingrijpende maatregelen volstaan.
De vordering tot verwijdering van de GVM-lijst wordt afgewezen, evenals de verzoeken tot melding aan de penitentiaire inrichting en dwangsommen. De gedetineerde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente.
Uitkomst: De vordering tot verwijdering van de GVM-status risicogedetineerde wordt afgewezen omdat de Staat terecht een reëel liquidatie- en bedreigingsrisico heeft vastgesteld.