Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10851

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/695880 KG ZA 25-1214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:162 BWArt. 6:253 BWArt. 21 RvArtikel 6.2 Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vorderingen uit hoofde van vrijwaringsbepaling koopovereenkomst afgewezen

Eiseres en gedaagden sloten op 1 juni 2025 een koopovereenkomst waarbij gedaagden hun aandelen in een vennootschap verkochten aan eiseres, met garanties en vrijwaringsbepalingen. Na een vonnis van de kantonrechter waarbij de vennootschap werd veroordeeld tot betaling aan een derde partij, vorderde eiseres nakoming van de vrijwaringsverplichtingen door gedaagden.

De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van eiseres onvoldoende aannemelijk zijn, mede omdat de vennootschap inmiddels is ontbonden via turboliquidatie, waardoor onduidelijk is of en hoe de lastgevingsovereenkomst voortduurt. Daarnaast is niet aannemelijk dat de derde partij executiemaatregelen tegen eiseres dreigt, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten van gedaagden. De uitspraak benadrukt de terughoudendheid bij geldvorderingen in kort geding en het belang van voldoende bewijs en spoedeisend belang.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af wegens onvoldoende aannemelijkheid en ontbrekend spoedeisend belang.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695880 / KG ZA 25-1214
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V., handelend namens zichzelf en als lasthebber van [bedrijfsnaam 1] B.V.,te [plaats] ,
eiseres,
advocaat mr. V. Kortenbach te Den Haag,
tegen:

1..[gedaagde sub 1] te [plaats] ,

2. N.V. [gedaagde sub 2]te [plaats] ,
gedaagden,
advocaat mr. D. Pieterse te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagden] c.s.’

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 december 2025, met producties 1 tot en met 5;
- de mondelinge behandeling van 19 januari 2016 ter gelegenheid waarvan de zaak pro forma is aangehouden tot 21 februari 2026;
- het bericht van mr. Kortenbach van 23 februari 2026, met productie;
- de op verzoek van beide partijen op 18 maart 2026 gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan na het overleggen van mr. Pieterse van zijn voor die zitting voorbereide spreekaantekeningen aan mr. Kortenbach in verband met ziekte van mr. Pieterse is bepaald dat de zaak opnieuw ter zitting zal worden ingepland;
- de op 31 maart 2026 om 12.48 uur door mr. Pieterse ingediende conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie, met producties 1 tot en met 9;
- de op 1 april 2026 om 10.00 uur gehouden voortzetting van de mondelinge behandeling, waarbij door [eiseres] pleitnotities zijn overgelegd, tevens houdende een akte indienen producties 7 en 8 en wijziging (verbetering) van eis.
1.2.
Tijdens de zitting op 1 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de door [gedaagden] c.s. aangekondigde eis in reconventie buiten beschouwing gelaten vanwege het feit dat deze in strijd met artikel 6.2 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken zonder deugdelijke reden niet uiterlijk 24 uur voor de zitting aan zowel [eiseres] als de voorzieningenrechter is toegezonden. Dit heeft tevens tot gevolg dat uitsluitend kennis wordt genomen van de op 31 maart 2026 door mr. Pieterse overgelegde producties 1 tot en met 4, die [gedaagden] c.s. heeft overgelegd ter onderbouwing van haar verweer tegen de vordering van [eiseres] .
1.3.
Partijen hebben op 1 april 2026 hun standpunten toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord, waarna vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 1 juni 2025 hebben [eiseres] en [gedaagden] c.s. een overeenkomst gesloten waarbij [gedaagden] c.s. haar aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. (thans na naamswijziging [bedrijfsnaam 2] B.V.) (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 1] ’) aan [eiseres] heeft verkocht. [bedrijfsnaam 1] is in die koopovereenkomst aangeduid als ‘de Vennootschap’). De koopprijs van de aandelen bedraagt € 80.000,--. Van die koopprijs is € 15.000,-- bij levering voldaan. Voor de overige € 65.000,-- hebben [eiseres] en [gedaagden] c.s. een geldlening gesloten uit hoofde waarvan [eiseres] gehouden is om met ingang van 31 augustus 2025 maandelijks een bedrag van € 2.167,-- aan [gedaagden] c.s. te voldoen. In artikel 6 van Pro de koopovereenkomst is een aantal specifieke garanties opgenomen. Voor dit kort geding is relevant de garantie onder sub g:
2.2.
In artikel 7 van Pro de koopovereenkomst zijn de ‘gevolgen van onjuistheid van de garanties’ geregeld. In lid 3 van dit artikel is het volgende bepaald:
2.3.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 28 mei 2025 heeft de kantonrechter van deze rechtbank [bedrijfsnaam 1] B.V. op vordering van [bedrijfsnaam 3] B.V. (thans na naamswijziging [bedrijfsnaam 4] B.V.) (hierna: ‘ [bedrijfsnaam 3] ’) veroordeeld tot betaling van a) een bedrag van € 14.520,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, b) een bedrag van € 920,-- aan buitengerechtelijke kosten en c) een bedrag van € 2.471,22 aan proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze niet binnen veertiend dagen na aanschrijving zijn betaald. Op 11 februari 2026 heeft de kantonrechter van deze rechtbank een verbetervonnis gewezen, waarin de partijaanduiding van de gedaagde partij is gewijzigd van [bedrijfsnaam 1] VvE B.V. in [bedrijfsnaam 1] B.V.
2.4.
[bedrijfsnaam 3] heeft het vonnis van 28 mei 2025 op 10 juni 2025 aan [bedrijfsnaam 1] betekend, zulks met het bevel om uit hoofde van het vonnis binnen twee dagen te betalen een bedrag van € 16.213,32 (hoofdsom vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten) en een bedrag van € 2.471,22 ter zake van proceskosten, zulks met aanzegging dat bij gebreke van betaling tot executie van het vonnis zal worden overgegaan.
2.5.
Bij e-mail van 19 november 2025 heeft de advocaat van [bedrijfsnaam 3] onder meer als volgt aan mevrouw [naam] , directeur en enig aandeelhouder van [eiseres] (hierna: ‘ [naam] ’), bericht:
2.6.
Bij brieven van 21 november 2025 heeft mr. Kortenbach [gedaagden] c.s. namens [bedrijfsnaam 1] verzocht om uiterlijk 26 november 2025 aan de sommatie van de advocaat van [bedrijfsnaam 3] te voldoen.
2.7.
Bij e-mail van 4 december 2025 heeft mr. Kortenbach de toenmalige juridisch adviseur van [gedaagden] c.s. verzocht te bevestigen dat [gedaagden] c.s. de schuld aan [bedrijfsnaam 3] uiterlijk op 5 december 2025 zal voldoen.
2.8.
Bij e-mail van 8 december 2025 heeft mr. Kortenbach onder meer als volgt aan de toenmalige juridisch adviseur van [gedaagden] c.s. bericht:
“Niets meer van je gehoord. Intussen dringt mr. Vijftigschild van [bedrijfsnaam 3] verder aan. Hij dreigt met nieuwe executiemaatregelen.
Daarom: als de vordering vandaag niet is betaald, met bevestiging aan mij, dan start ik morgen een kort geding waarin ik vorder dat jouw cliënten daartoe worden veroordeeld, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag.”
2.9.
Op 19 januari 2026 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat [bedrijfsnaam 1] met ingang van 31 december 2025 is ontbonden en heeft opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn. [naam] staat in het handelsregister vermeld als bewaarder van de boeken en bescheiden. [naam] heeft daartoe het ‘Formulier Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie’ ingevuld. In het kader van stap 3 dient in dit formulier een beschrijving te worden gegeven van de oorzaak van het ontbreken van baten op het tijdstip van de ontbinding. [naam] heeft hier ingevuld
‘alles afgerond’.In het veld daaronder diende een toelichting te worden gegeven op de afwikkeling van het vermogen. Hier heeft [naam] ingevuld
‘alles is afgewikkeld’. In het veld overgebleven schulden na beëindiging van de rechtspersoon heeft [naam] ingevuld
‘nihil’.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert na wijziging van haar eis – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad een hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] c.s. tot a) betaling aan [bedrijfsnaam 3] (thans [bedrijfsnaam 4] B.V.) binnen twee dagen na schriftelijke opgaaf en bevel daartoe van al hetgeen waartoe [bedrijfsnaam 1] uit hoofde van de veroordeling in de zaak tegen [bedrijfsnaam 3] gehouden is, zulks op straffe van een dwangsom, en b) betaling van € 975,-- aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met veroordeling van [gedaagden] c.s. in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – aan dat [bedrijfsnaam 3] dreigt het vonnis van de kantonrechter te executeren en dat [eiseres] over onvoldoende middelen beschikt om de vordering van [bedrijfsnaam 3] te voldoen. Volgens [eiseres] heeft [gedaagden] c.s. zich in de koopovereenkomst van 1 juni 2025 verbonden om zowel [eiseres] als [bedrijfsnaam 1] als derde voor aanspraken van [bedrijfsnaam 3] te vrijwaren. Daarbij beroept [eiseres] zich in het bijzonder op artikel 6 sub g en Pro artikel 7 lid 3 van Pro de koopovereenkomst. Volgens [eiseres] weigert [gedaagden] c.s. ondanks sommatie om het uit hoofde van het vonnis van 28 mei 2025 opeisbare bedrag aan [bedrijfsnaam 3] te voldoen. [eiseres] vordert voor zichzelf en als lasthebber van [bedrijfsnaam 1] nakoming door [gedaagden] c.s. van de op haar rustende vrijwarings- en (daaruit voortvloeiende) betalingsverplichting.
3.3.
[gedaagden] c.s. voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De vordering van [eiseres] strekt (indirect) tot de betaling van geldsommen. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid geboden. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Voorts dient in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken te worden.
4.2.
[eiseres] heeft haar vorderingen in dit kort geding ingesteld voor zichzelf en als lasthebber van [bedrijfsnaam 1] . Hierna zal allereerst worden beoordeeld of de vorderingen ingesteld door [eiseres] als lasthebber toewijsbaar zijn.
4.3.
[gedaagden] c.s. heeft betwist dat tussen [eiseres] en [bedrijfsnaam 1] een overeenkomst van lastgeving is gesloten. [naam] heeft ter zitting toegelicht dat die overeenkomst mondeling tussen haar en [bedrijfsnaam 1] is gesloten. Nu [eiseres] als gevolg van de aandelenoverdracht enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 1] is geworden en [naam] sindsdien bevoegd is om zowel [eiseres] als [bedrijfsnaam 1] te vertegenwoordigen, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de gestelde lastgeving niet heeft plaatsgevonden. In het kader van dit kort geding wordt er dan ook vanuit gegaan dat [eiseres] destijds krachtens lastgeving bevoegd was om deze procedure mede uit naam van [bedrijfsnaam 1] te starten.
4.4.
[eiseres] beroept zich namens [bedrijfsnaam 1] op artikel 6 sub g en Pro artikel 7 lid 3 van Pro de op 1 juni 2025 gesloten koopovereenkomst. [gedaagden] c.s. heeft met juistheid opgemerkt dat [bedrijfsnaam 1] geen partij is bij deze koopovereenkomst. Deze overeenkomst is immers gesloten tussen [eiseres] en [gedaagden] c.s. Artikel 6 sub g bepaalt Pro dat de claim van [bedrijfsnaam 3] wordt gedragen door [gedaagden] c.s. en dat de koper (lees: [eiseres] ) hiervan wordt gevrijwaard. [bedrijfsnaam 1] kan aan deze bepaling geen rechten ontlenen. Volgens [eiseres] ligt dat anders ten aanzien van artikel 7 lid 3 van Pro de koopovereenkomst. Deze bepaling, waarin [gedaagden] c.s. zich heeft verbonden om zowel [eiseres] als [bedrijfsnaam 1] te vrijwaren tegen iedere vordering van derden, heeft volgens [eiseres] te gelden als een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW Pro. Van de zijde van [gedaagden] c.s. is ter zitting te kennen gegeven dat dit beding waarschijnlijk als derdenbeding is bedoeld. De voorzieningenrechter gaat er daarom in het vervolg van deze beoordeling vanuit dat sprake is van een rechtsgeldig derdenbeding waaraan [bedrijfsnaam 1] in beginsel een zelfstandig vorderingsrecht kan ontlenen.
4.5.
[gedaagden] c.s. heeft er vervolgens op gewezen dat [bedrijfsnaam 1] met ingang van 31 december 2025 is ontbonden en heeft opgehouden te bestaan. De voorzieningenrechter constateert dat [eiseres] in haar processtukken van deze ontbinding zelf geen melding heeft gemaakt, hetgeen gelet op het bepaalde in artikel 21 Rv Pro wel op haar weg had gelegen. [naam] heeft ter zitting toegelicht dat zij op advies van een medewerker van de Kamer van Koophandel tot turboliquidatie van [bedrijfsnaam 1] is overgegaan maar dat zij inmiddels begrijpt dat dit mogelijk ten onrechte is gebeurd, omdat er ter zake van de schuld aan [bedrijfsnaam 3] mogelijk nog sprake is van een bate in de vorm van een verhaalsrecht van [bedrijfsnaam 1] op [gedaagden] c.s. op grond van artikel 7 lid 3 van Pro de koopovereenkomst. In het kader van het beperkte bestek van dit kort geding valt niet goed te overzien wat de consequenties zijn van de turboliquidatie. Onduidelijk is in de eerste plaats of en zo ja in hoeverre [bedrijfsnaam 1] thans nog bestaat. Daarnaast is onduidelijk welke gevolgen de turboliquidatie heeft voor de lastgevingsovereenkomst. Niet uitgesloten kan worden dat deze overeenkomst als gevolg van de turboliquidatie is geëindigd. Daarbij is tevens van belang dat er voorshands geen zicht is op de acties die [naam] zal ondernemen nu nog sprake lijkt te zijn van een bate terwijl evenmin duidelijk is of en zo ja welke rechtsmiddelen [bedrijfsnaam 3] zal aanwenden tegen de turboliquidatie. Bij die stand van zaken kan op dit moment niet met de vereiste mate van aannemelijkheid worden vastgesteld dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiseres] als lasthebber van [bedrijfsnaam 1] een voor toewijzing vatbare vordering kan instellen die strekt tot nakoming door [gedaagden] c.s. van de vrijwaringsverplichting ex artikel 7 lid 3 van Pro de koopovereenkomst. Dit betekent dat die vordering in dit kort geding niet kan worden toegewezen.
4.6.
[eiseres] heeft haar vorderingen mede uit eigen naam ingesteld. Beoordeeld moet worden of [eiseres] haar gestelde aanspraken op dit moment uit hoofde van de koopovereenkomst tegen [gedaagden] c.s. geldend kan maken. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, stelt [eiseres] dat [bedrijfsnaam 3] jegens haar met executiemaatregelen dreigt. Die stelling heeft zij echter onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit de door [eiseres] overgelegde stukken blijkt dat [bedrijfsnaam 3] het vonnis van de kantonrechter aan [bedrijfsnaam 1] heeft betekend, met daarbij de aanzegging dat bij niet voldoening door [bedrijfsnaam 1] executiemaatregelen jegens [bedrijfsnaam 1] zullen worden genomen. Uit de tussen mr. Kortenbach en de advocaat van [bedrijfsnaam 3] gevoerde correspondentie blijkt niet dat [bedrijfsnaam 3] ook jegens [eiseres] met executiemaatregelen dreigt. Dat ligt ook niet direct voor de hand omdat [bedrijfsnaam 3] met het vonnis van de kantonrechter uitsluitend beschikt over een executoriale titel jegens [bedrijfsnaam 1] . [eiseres] is immers in die procedure bij de kantonrechter geen partij geweest. [eiseres] is weliswaar sinds de aandelenoverdracht aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam 1] maar dat maakt niet dat [bedrijfsnaam 3] zich uit hoofde van het vonnis rechtstreeks op [eiseres] kan verhalen. Hiervoor is noodzakelijk dat [bedrijfsnaam 3] beschikt over een titel jegens [eiseres] , bijvoorbeeld uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Over een dergelijke titel beschikt [bedrijfsnaam 3] op dit moment niet. Nu niet is gebleken dat [bedrijfsnaam 3] rechtstreeks jegens haar met executiemaatregelen dreigt, ontbreekt het [eiseres] aan spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening in dit kort geding. Dit vormt als zodanig reeds een reden voor afwijzing van die vordering. Daarbij komt dat [gedaagden] c.s. ten verwere hebben aangevoerd dat [eiseres] ondanks een door haar gedane toezegging heeft verzuimd om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de kantonrechter en dat zij daarmee niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. Volgens [gedaagden] c.s. had [eiseres] in hoger beroep namens [bedrijfsnaam 1] een beroep op verrekening kunnen doen. Daarnaast stelt [gedaagden] c.s. dat zij een eventuele vordering van [eiseres] op haar op de gestelde grondslag kan verrekenen met de niet door [eiseres] voldane termijnen uit hoofde van de geldlening over de periode van 31 augustus 2025 tot en met 1 april 2026. [eiseres] heeft deze verweren op haar beurt weersproken maar in het beperkte bestek van deze kortgedingprocedure, waarin voor nader feitenonderzoek en bewijslevering geen ruimte is, kan niet worden vastgesteld wie van partijen het gelijk op deze punten aan haar zijde heeft. Dat betekent dat ook als een spoedeisend belang aan de zijde van [eiseres] wordt aangenomen en aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eiseres] wordt toegekomen, niet met de vereiste mate van aannemelijkheid kan worden vastgesteld dat een bodemrechter deze ten behoeve van zichzelf door [eiseres] ingestelde vordering zal toewijzen.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat geen van de vorderingen in dit kort geding toewijsbaar is. [eiseres] is te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij en zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] c.s. worden begroot op:
- griffierecht € 1.374,--
- salaris advocaat € 1.177,--
- nakosten € 189,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.740,--
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst het gevorderde af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagden] c.s. ad € 2.740,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 189,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
mw