ECLI:NL:RBDHA:2026:10852
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Vonnis tot medewerking verkoop en levering gezamenlijke woning na beëindiging relatie
Partijen hadden een affectieve relatie die in juli 2024 eindigde en zijn gezamenlijk eigenaar van een woning met een hypothecaire geldlening. Na het beëindigen van de relatie verliet de vrouw de woning, die nog niet verdeeld is. De man wilde het aandeel van de vrouw overnemen, maar weigerde de afgesproken opdracht tot taxatie te verstrekken.
De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning aan een derde, met onder meer het aanstellen van een makelaar, opvolging van verkoopadviezen, ondertekening van koopovereenkomst en leveringsakte, en een dwangsom bij niet-naleving. Tevens vordert zij dat het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaringen van de man indien hij niet meewerkt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft en dat de man niet langer bereid is het aandeel van de vrouw over te nemen. Daarom moet de woning aan een derde worden verkocht. De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop via de makelaar Tulp Vastgoed, met een gemaximeerde dwangsom bij niet-naleving. De verkoopopbrengst wordt bij helfte verdeeld, en de man wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de gezamenlijke woning aan een derde met een dwangsom bij niet-naleving en de verkoopopbrengst wordt gelijk verdeeld.