Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10852

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699191 / KG ZA 26-145
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis tot medewerking verkoop en levering gezamenlijke woning na beëindiging relatie

Partijen hadden een affectieve relatie die in juli 2024 eindigde en zijn gezamenlijk eigenaar van een woning met een hypothecaire geldlening. Na het beëindigen van de relatie verliet de vrouw de woning, die nog niet verdeeld is. De man wilde het aandeel van de vrouw overnemen, maar weigerde de afgesproken opdracht tot taxatie te verstrekken.

De vrouw vordert in kort geding dat de man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning aan een derde, met onder meer het aanstellen van een makelaar, opvolging van verkoopadviezen, ondertekening van koopovereenkomst en leveringsakte, en een dwangsom bij niet-naleving. Tevens vordert zij dat het vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaringen van de man indien hij niet meewerkt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft en dat de man niet langer bereid is het aandeel van de vrouw over te nemen. Daarom moet de woning aan een derde worden verkocht. De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop via de makelaar Tulp Vastgoed, met een gemaximeerde dwangsom bij niet-naleving. De verkoopopbrengst wordt bij helfte verdeeld, en de man wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de gezamenlijke woning aan een derde met een dwangsom bij niet-naleving en de verkoopopbrengst wordt gelijk verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699191 / KG ZA 26-145
Vonnis in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiseres]te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. G. Koyak te Den Haag,
tegen:
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 februari 2026, met producties 1 tot en met 4;
- de op 20 februari 2026 door de vrouw overgelegde producties 5 tot en met 11;
- de op 23 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan een datum voor voortzetting is bepaald teneinde de in persoon verschenen man gelegenheid te bieden zich door een advocaat en tolk te laten bijstaan;
- de op 2 maart 2026 voortgezette mondelinge behandeling, ter gelegenheid waarvan de man opnieuw in persoon is verschenen en vervolgens de zaak inhoudelijk is behandeld, waarna partijen afspraken hebben gemaakt die in een proces-verbaal zijn vastgelegd en de zaak met het oog op het uitvoeren van die afspraken pro forma is aangehouden;
- het bericht met bijlage van mr. Koyak van 10 maart 2026, waarin zij verzoekt om vonnis te wijzen;
- de e-mail van de griffie van 16 maart 2026, waarin de man is verzocht om uiterlijk 20 maart 2026 op het bericht van mr. Koyak van 10 maart 2026 te reageren;
- de e-mail van de griffie van 23 maart 2026, waarin aan beide partijen is medegedeeld dat vonnis zal worden gewezen op 7 april 2026 of zoveel eerder als mogelijk.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad die in juli 2024 is geëindigd.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] (hierna: ‘de woning’). Op de woning rust een hypothecaire geldlening. De vrouw heeft na het beëindigen van de relatie de woning verlaten. De woning is tot op heden niet verdeeld.
2.3.
De man heeft in het kader van deze procedure te kennen gegeven dat hij het aandeel van de vrouw in de woning wenst over te nemen, zulks met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening. Ter zitting van 2 maart 2026 hebben partijen met het oog daarop de volgende afspraken gemaakt:
2.4.
Op 10 maart 2026 heeft mr. Koyak de voorzieningenrechter bericht dat de man niet zoals ter zitting was afgesproken binnen een week een opdracht aan een makelaar van Tulp Vastgoed te Den Haag heeft verstrekt om de woning te taxeren.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de man op straffe van een dwangsom te veroordelen om binnen één week na dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning, meer in het bijzonder door:
- binnen zeven dagen na datum van dit vonnis drie onafhankelijke NVM-makelaars voor te stellen, waaruit de vrouw er binnen zeven dagen één kiest, zulks met bepaling dat indien de man dit verzuimt de vrouw bevoegd is om zelf een makelaar aan te wijzen;
- de verkoopadviezen van de aangewezen makelaar, onder meer ten aanzien van de te hanteren vraag- en laatprijs, op eerste verzoek van de wederpartij op te volgen;
- de schriftelijke koopovereenkomst binnen drie dagen na een daartoe strekkend verzoek van de vrouw te ondertekenen;
- de akte van levering op de daartoe met de koper overeengekomen dag te ondertekenen;
- alle overige handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn om te komen tot verkoop en levering van de woning aan een derde;
II. te bepalen dat indien de man niet tijdig voldoet aan het onder I gevorderde, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van de voor verkoop en levering van de woning noodzakelijke wilsverklaringen van de man;
III. te bepalen dat de netto-verkoopopbrengst van de woning bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld;
IV. de man te veroordelen in de proces- en nakosten;
V. althans in goede justitie een voorziening te treffen.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – aan dat partijen al geruime tijd uit elkaar zijn en dat de woning door toedoen van de man nog altijd niet is verdeeld. Volgens de vrouw is geen van partijen in staat om de woning op eigen naam te doen stellen en om die reden dient de woning aan een derde te worden verkocht. De man weigert volgens de vrouw zijn medewerking aan verkoop van de woning aan een derde. De vrouw meent dat van haar in redelijkheid niet worden gevergd dat zij ter zake van de woning nog langer in een onverdeelde gemeenschap met de man blijft. Daarbij wijst de vrouw erop dat zij als gevolg van de onverdeeldheid problemen ondervindt bij het vinden van woonruimte. Daarnaast stelt de vrouw in dit verband dat de man een (inmiddels weer ingeloste) hypotheekachterstand heeft doen ontstaan en dat hij de woning in strijd met het in de hypotheekakte opgenomen huurbeding heeft verhuurd aan derden.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening die ziet op de verdeling van de woning. De man heeft dat op zichzelf ook niet betwist.
4.2.
De man heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij het aandeel van de vrouw in de woning wil overnemen en dat hij daar financieel toe in staat is. Met het oog daarop hebben partijen ter zitting van 2 maart 2026 afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in een door hen ondertekende vaststellingsovereenkomst. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de man heeft geweigerd om – zoals overeengekomen – binnen een week een opdracht te geven aan een makelaar van Tulp Vastgoed te Den Haag tot het taxeren van de woning. Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat bij weigering van de man om de taxatieopdracht te verstrekken, zonder nadere mondelinge behandeling vonnis zal worden gewezen. Nu de man de taxatieopdracht niet heeft verstrekt en hij evenmin heeft gereageerd op het verzoek van de vrouw om vonnis te wijzen, moet ervan uit worden gegaan dat de man niet langer bereid is om het aandeel van de vrouw in de woning overeenkomstig het overeengekomen spoorboekje over te nemen. Dit betekent dat de woning op korte termijn aan een derde dient te worden verkocht. Van de vrouw kan immers – zoals zij terecht stelt – in redelijkheid niet worden gevergd dat zij ten aanzien van de woning nog langer met de man in een onverdeeldheid blijft. Bepaald zal worden dat de destijds tussen partijen overeengekomen makelaar (Tulp Vastgoed) de verkoop van de woning aan een derde ter hand zal nemen. Een ander leidt ertoe dat de vordering van de vrouw toewijsbaar is op de wijze zoals bepaald in onderstaande beslissing.
4.3.
De door de vrouw gevorderde dwangsom is toewijsbaar voor wat betreft het opvolgen van de verkoopadviezen van de makelaar en het verlenen van medewerking aan werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces. Deze op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Daarnaast zal worden bepaald dat dit vonnis zo nodig in de plaats zal treden van de voor het sluiten van de bemiddelingsovereenkomst, de koopovereenkomst en de voor het passeren van de akte van levering noodzakelijke wilsverklaring van de man.
4.4.
Hoewel partijen een affectieve relatie hebben gehad en uitgangspunt is dat de proceskosten tussen ex-partners worden gecompenseerd, ziet de voorzieningenrechter in de voortdurende weigerachtige houding van de man om tot verdeling van de woning te komen aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van de vrouw worden begroot op:
- dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 341,--
- salaris advocaat € 1.765,50
- nakosten € 189,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.448,52
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de [adres] aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:
a. binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met een makelaar van Tulp Vastgoed te Den Haag onder de voor een NVM-/VBO-/Vastgoed Pro-makelaar gebruikelijke voorwaarden;
b. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;
c. dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst binnen drie dagen nadat de vrouw hierom verzoekt, indien en voor zover:
- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen schriftelijk overeengekomen andere laatprijs, en waarbij
- een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal een maand na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en
- de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;
d. dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader schriftelijk met de koper overeen te komen dag;
e. 50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan de man toekomende aandeel in de overwaarde (zoals hierna bepaald);
5.2.
bepaalt dat de man, indien hij na schriftelijke sommatie of sommatie per e-mail, binnen niet twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in 5.1 onder b., een dwangsom verschuldigd is van € 250,-- per overtreding en van € 250,-- voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van in totaal € 25.000,--;
5.3.
bepaalt dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in 5.1 onder a., c en d., dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW Pro in de plaats treedt van het deel van de met de makelaar te sluiten bemiddelingsovereenkomst, de koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij respectievelijk opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;
5.4.
bepaalt dat de verkoopopbrengst van de woning tussen partijen aldus zal worden verdeeld dat de overwaarde (bestaande uit de gerealiseerde verkoopwaarde minus de hoogte van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de notariële overdracht en minus de kosten van de makelaar en de notaris) bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld;
5.5.
veroordeelt de man in de proceskosten van de vrouw ad € 2.448,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de man niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.6.
veroordeelt de man in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
mw