Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10855

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/700671 KG ZA 26-225
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging ontruimingsvonnis maatschappelijke opvang

Eiser heeft een zorg- en opvangovereenkomst gesloten met De Binnenvest op basis van een Wmo-indicatie. Na diverse incidenten, waaronder bedreigingen en intimidaties van begeleiders, heeft De Binnenvest de opvangovereenkomst opgezegd en eiser gesommeerd de woning te ontruimen.

De voorzieningenrechter heeft eiser veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Eiser stelde hoger beroep in en verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging, stellende dat de voorzieningenrechter onvoldoende had getoetst en dat de situatie na september 2025 verbeterd was.

De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag in het vonnis en dat het belang van De Binnenvest bij onmiddellijke ontruiming zwaarder weegt dan het belang van eiser bij behoud van de status quo. De voorzieningenrechter acht de regionale opvanglocatie passend en veilig, ondanks het feit dat eiser zijn honden niet mee kan nemen.

Daarom wordt het verzoek tot schorsing afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700671 / KG ZA 26-225
Vonnis in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. J. Sprakel te Haarlem,
tegen:
STICHTING DE BINNENVESTte Leiden,
gedaagde,
advocaten mrs. C.M. Roozemond en D.A. Fransen te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘De Binnenvest’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 maart 2026, met producties 1 tot en met 22;
- de akte van [eiser] houdende overlegging producties 20 (gecorrigeerd), 23 en 24;
- de akte van De Binnenvest houdende overlegging producties 1 en 2;
- de op 9 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door De Binnenvest pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Op 10 maart 2026 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 19 maart 2026.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] heeft op 21 september 2023 bij de gemeente Alphen aan den Rijn een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Bij besluit van 10 november 2023 is positief op die aanvraag beslist.
2.2.
Het besluit van 10 november 2023 heeft geleid tot het sluiten van een algemene zorgovereenkomst tussen De Binnenvest en [eiser] op 15 november 2023. De Binnenvest biedt op grond van deze zorgovereenkomst aan [eiser] begeleiding bij het zelfstandig wonen en leven in algemene zin, die is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Indien nodig omvat de zorgovereenkomst blijkens artikel 4.3 tevens opvang of verblijf in door De Binnenvest beschikbaar gestelde woonruimte. In het geval van opvang of verblijf gelden blijkens de zorgovereenkomst de huis- en gedragsregels van De Binnenvest. Niet-naleving van deze regels geeft blijkens artikel 4.4 De Binnenvest de bevoegdheid om de opvang en/of de zorgovereenkomst te beëindigen. Op grond van artikel 4.4 rust op [eiser] tevens een inspanningsverplichting om onder meer medewerking te verlenen aan de krachteninventarisatie, de aanvraag van diverse financieringsbronnen voor de hulp- en dienstverlening en de uitvoering van een op te stellen actieplan. Op De Binnenvest rust uit hoofde van de zorgovereenkomst onder meer een inspanningsverplichting om te zorgen voor continuïteit van de overeengekomen hulp- en dienstverlening. De Binnenvest is op grond van artikel 7 bevoegd Pro de zorgovereenkomst te beëindigen als [eiser] verzuimt aan zijn inspanningsverplichting te voldoen.
2.3.
Op 7 december 2023 hebben De Binnenvest en [eiser] de overeenkomst voor tijdelijke opvang in de locatie gelegen aan de [adres 1] (hierna: ‘ [de woning 1] ’) gesloten. Deze opvangovereenkomst, die is ingegaan op 15 november 2023, is onlosmakelijk verbonden met de tussen partijen gesloten zorgovereenkomst, die als bijlage bij de opvangovereenkomst is gevoegd. In artikel 2.4 van de opvangovereenkomst is bepaald dat [eiser] zich te allen tijde begeleidbaar dient op te stellen. Dit houdt in dat [eiser] telefonisch bereikbaar moet zijn, samen dient te werken ter realisering van de afspraken in het zorgplanopenheid van zaken en volledige openheid van zaken dient te geven. In het geval [eiser] zich niet begeleidbaar opstelt, is De Binnenvest gerechtigd om de opvangovereenkomst te beëindigen. In artikel 2.5 is bepaald dat de opvang met onmiddellijke ingang eindigt op het moment dat [eiser] niet langer voldoet aan de door De Binnenvest gestelde criteria dan wel de huis- en gedragsregels en/of de zorgovereenkomst niet naar behoren naleeft. In artikel 2.6 is bepaald dat [eiser] aan het tijdelijke verblijf in de opvanglocatie geen enkel woon- of verblijfsrecht kan ontlenen.
2.4.
Op 24 mei 2024 hebben De Binnenvest en [eiser] met betrekking tot [de woning 1] met ingang van 1 mei 2024 een onderhuurovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten. Deze onderhuurovereenkomst is eveneens onlosmakelijk verbonden met de tussen partijen gesloten zorgovereenkomst, waarbij het zorgelement overheerst. De door [eiser] te betalen huurprijs bedroeg € 511,10 (€ 393,60 aan kale huur en € 117,50 aan bijkomende kosten).
2.5.
Bij brief van 30 september 2024 heeft De Binnenvest [eiser] bericht dat als gevolg van het bestaan van een huurachterstand van € 2.555,50 zijn indicatie opvang opnieuw wordt geactiveerd, als gevolg waarvan hij geen huur meer hoeft te betalen omdat zijn woonlasten (met verlaging van zijn uitkering) uit de zorg worden bekostigd. Daarbij heeft De Binnenvest erop gewezen dat [eiser] om aanspraak te kunnen maken op een hogere uitkering en om uit te kunnen stromen naar een eigen woning, akkoord dient te gaan met bewindvoering.
2.6.
Bij brief van 9 oktober 2024 heeft De Binnenvest onder meer aan [eiser] bericht dat zij de bestaande huurachterstand kwijtscheldt. In deze brief heeft De Binnenvest [eiser] er nogmaals op gewezen dat hij om te kunnen toewerken naar een eigen woning, dient in te stemmen met bewindvoering.
2.7.
Bij brief van 25 oktober 2024 met als onderwerp ‘Waarschuwing’ heeft De Binnenvest [eiser] een termijn gegeven tot 1 december 2024 om in te stemmen met bewindvoering. Daarbij heeft De Binnenvest erop gewezen dat bewindvoering een voorwaarde is voor het wonen op een opvangplek van De Binnenvest. Daarnaast heeft De Binnenvest [eiser] verzocht om zijn begeleiders niet uit te schelden. Daarbij heeft De Binnenvest erop gewezen dat ook dit een grond oplevert voor beëindiging van de opvangovereenkomst.
2.8.
Bij brief van 5 november 2024 heeft De Binnenvest aan [eiser] bericht dat zij heeft geconstateerd dat [eiser] zich nog steeds schuldig maakt aan het uitschelden en bedreigen van medewerkers van De Binnenvest. Daarmee stelt [eiser] zich niet begeleidbaar op en dit heeft De Binnenvest tot gevolg dat zijn recht op tijdelijk verblijf in [de woning 1] komen te vervallen. De Binnenvest heeft [eiser] een periode van twee weken gegeven om die woning te ontruimen.
2.9.
De advocaat van [eiser] heeft De Binnenvest bij e-mail van 15 november 2024 verzocht om een gesprek met als doel het herstel van de verhoudingen tussen partijen. De Binnenvest heeft bij e-mail van 21 november 2024 met een gesprek (en voortzetting van de begeleiding) ingestemd, zulks onder de voorwaarden dat [eiser] instemt met bewindvoering en respectvol omgaat met zijn begeleiders. Het gesprek heeft vervolgens plaatsgevonden op 7 februari 2025 op het kantoor van De Binnenvest.
2.10.
De Binnenvest heeft bij brief van 1 juli 2025 aan de advocaat van [eiser] bericht dat zij reeds op 7 maart 2025 heeft bevestigd dat zij het besluit van 5 november 2024 naar aanleiding van het op 7 februari 2025 gevoerde gesprek heeft ingetrokken
2.11.
Medio juli 2025 heeft [eiser] in verband met werkzaamheden in [de woning 1] zijn intrek genomen in de woning aan de [adres 2] (hierna: ‘ [de woning 2] ’).
2.12.
Bij brief van 18 juli 2025 met als onderwerp ‘Huidige situatie verblijf en formele waarschuwing bedreigingen’ heeft De Binnenvest [eiser] bericht dat de werkzaamheden aan [de woning 1] op 21 juli 2025 zullen starten. Daarnaast heeft De Binnenvest [eiser] bericht dat zij aangifte zal doen van de door [eiser] geuite bedreigingen richting begeleiders en beheerders. De Binnenvest heeft [eiser] in deze brief met klem verzocht te stoppen met zijn bedreigingen, waarmee [eiser] volgens De Binnenvest de tussen hen bestaande afspraken overtreedt.
2.13.
De Binnenvest heeft [eiser] bij brief van 29 september 2025 als volgt bericht:
2.14.
Bij e-mail van 30 september 2025 heeft de advocaat van [eiser] zijn ongenoegen geuit over het feit dat hij sinds het gesprek op 7 februari 2025 niets meer van De Binnenvest heeft vernomen. De advocaat van [eiser] heeft De Binnenvest in deze e-mail verzocht opnieuw met hem in gesprek te gaan. Daarbij heeft de advocaat van [eiser] te kennen gegeven dat [eiser] [de woning 2] niet vrijwillig zal verlaten.
2.15.
Bij e-mail aan De Binnenvest van 18 november 2025 heeft de advocaat van [eiser] erop gewezen dat hij er niet door De Binnenvest van op de hoogte is gesteld dat [eiser] zich mogelijk niet aan de tijdens het gesprek van 7 februari 2025 gemaakte afspraken heeft gehouden. Daarnaast heeft de advocaat van [eiser] toegelicht dat [eiser] wil uitstromen naar een eigen woning en dat hij daarbij begeleiding en budgetbeheer accepteert.
2.16.
De advocaat van De Binnenvest heeft bij e-mail van 28 november 2025 aan de advocaat van [eiser] bericht dat de e-mail van 18 november 2025 geen aanleiding geeft om opnieuw in overleg te treden. Daarbij heeft de advocaat van De Binnenvest erop gewezen dat sinds het gesprek van 7 februari 2025 een aantal ernstige incidenten heeft plaatsgevonden, waardoor het niet langer verantwoord is dat [eiser] in [de woning 2] verblijft. Uitstroom naar een contingentwoning is volgens de advocaat van De Binnenvest onwenselijk omdat er geen verbetering in het gedrag van [eiser] is waargenomen.
2.17.
De gemeente Alphen aan den Rijn heeft bij besluit van 19 december 2025 het besluit van 10 november 2023, waarbij [eiser] toegang heeft gekregen tot maatschappelijke lokale opvang, ingetrokken. Als reden voor die intrekking vermeldt dit besluit dat [eiser] zich niet begeleidbaar heeft opgesteld en dat hij zich niet aan de op 10 november 2023 gemaakte afspraken heeft gehouden. In reactie op de door [eiser] aangevoerde bezwaren is in het besluit van 19 december 2025 het volgende overwogen:
2.18.
De Binnenvest heeft [eiser] op 13 januari 2026 in kort geding gedagvaard. In die procedure vorderde De Binnenvest – kort gezegd – een veroordeling van [eiser] om [de woning 2] te ontruimen. De Binnenvest voerde daartoe aan dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van zowel de zorg- als de opvangovereenkomst. Volgens De Binnenvest heeft [eiser] zich niet begeleidbaar opgesteld doordat hij begeleiders en omwonenden heeft uitgescholden, geïntimideerd en (met de dood) heeft bedreigd. Ook houdt hij volgens De Binnenvest zonder toestemming een tweede hond in [de woning 2] en die hond heeft een omwonende aangevallen en gebeten. De Binnenvest stelt dat zij [eiser] meerdere keren heeft gewaarschuwd en heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van zijn gedrag. De Binnenvest stelt dat zij dan ook op 29 september 2024 gerechtigd was om op grond van artikel 2.4 en 2.5 van de opvangovereenkomst, in combinatie met artikel 4.4 van de zorgovereenkomst, de lokale opvang van [eiser] per 14 oktober 2025 te beëindigen. [eiser] verblijft om die reden vanaf laatstgenoemde datum zonder recht of titel in [de woning 2] , aldus De Binnenvest in haar dagvaarding.
2.19.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 4 februari 2026 (hierna: ‘het vonnis’) [eiser] veroordeeld om [de woning 2] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en te verlaten. In het vonnis heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat partijen de opvangovereenkomst per oktober 2024 hebben voortgezet. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat De Binnenvest de opvangovereenkomst per brief van 29 september 2025 heeft opgezegd en dat zij daartoe op grond van artikel 2.4 en 2.5 van die overeenkomst gerechtigd was. Daartoe heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:
2.20.
De Binnenvest heeft het vonnis op 23 februari 2026 aan [eiser] laten betekenen, zulks met het bevel om binnen veertien dagen aan het vonnis te voldoen en met aanzegging dat een gedwongen ontruiming zal plaatsvinden op 11 maart 2026.
2.21.
[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Zijn verzoek om turbo-spoedappel is op 2 maart 2026 door het gerechtshof Den Haag afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen totdat in hoger beroep eindarrest is gewezen;
subsidiair:de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen voor de duur van zes maanden dan wel een in goede justitie te bepalen termijn, zodat in samenwerking met hulpverlenende instanties een alternatieve woonplek voor [eiser] kan worden gevonden;
zowel primair als subsidiair met veroordeling van De Binnenvest in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.
3.3.
In de eerste plaats stelt [eiser] dat het vonnis klaarblijkelijk op een aantal misslagen berust.
3.3.1.
De voorzieningenrechter heeft volgens [eiser] in het vonnis ten onrechte geoordeeld dat De Binnenvest een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Volgens [eiser] blijkt uit de wijze waarop De Binnenvest zowel voorafgaand aan de kortgedingprocedure als na datum vonniswijzing heeft gecommuniceerd en gehandeld niet dat er sprake is van spoedeisendheid.
3.3.2.
Daarnaast stelt [eiser] dat de voorzieningenrechter niet althans onvoldoende heeft getoetst of De Binnenvest gerechtigd was om de opvangovereenkomst op te zeggen. Hierbij hadden naar de mening van [eiser] ook de opzegbepalingen uit deze overeenkomst op redelijkheid moeten worden getoetst. In ieder geval heeft de voorzieningenrechter naar de mening van [eiser] ten onrechte aangenomen dat hij de gemaakte afspraken in de opvang heeft geschonden en dat hij zich niet begeleidbaar opstelt. De voorzieningenrechter heeft daarbij het verleden te zwaar laten meewegen en heeft niet gekeken naar de situatie na september 2025. Na september 2025 hebben er volgens [eiser] geen incidenten meer plaatsgevonden. Onjuist is volgens [eiser] de constatering dat De Binnenvest hem naar aanleiding van het gesprek op 7 februari 2025 een tweede kans heeft geboden. De Binnenvest heeft haar besluit van 5 november 2024 ingetrokken en heeft daarmee volgens [eiser] enkel een fout hersteld. Van een geboden tweede kans is volgens [eiser] helemaal geen sprake geweest. [eiser] stelt voorts dat aan de opzegging van de opvangovereenkomst van 29 september 2025 geen duidelijke waarschuwing van De Binnenvest vooraf is gegaan, waarin uitdrukkelijk is gewezen op de consequenties van het niet-naleven van die waarschuwing. De brief van 18 juli 2025 is volgens [eiser] niet aan te merken als een duidelijke waarschuwingsbrief en kan daarom niet ten grondslag worden gelegd aan de opzegging. Ten aanzien van de in de brief van 29 september 2025 genoemde bedreiging van 25 juni 2025 stelt [eiser] dat deze destijds geen aanleiding heeft gegeven tot aanpassing van de doelen. Daarnaast stelt [eiser] dat niet is bewezen dat de in de brief van 29 september 2025 door De Binnenvest gestelde bedreiging van de buurman en het gestelde bijtincident hebben plaatsgevonden. In ieder geval ontbreekt volgens [eiser] bewijs dat hij in het kader van het vermeende bijtincident iemand heeft bedreigd of aangevallen.
3.4.
De voorzieningenrechter heeft volgens [eiser] daarnaast het vonnis ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In ieder geval moet volgens [eiser] de tenuitvoerlegging worden geschorst totdat in hoger beroep is beslist. Daarbij wijst [eiser] erop dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft meegewogen dat zijn behandeling op dit moment is gepauzeerd in verband met de onduidelijkheid rondom zijn huisvesting en dat die situatie door toedoen van De Binnenvest is ontstaan, omdat zij geen enkele poging heeft gedaan om (via zijn advocaat) tot een oplossing te komen. Onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis zal volgens [eiser] voor hem een noodtoestand doen ontstaan. Opvang in de regionale opvanglocatie De Nieuwe Energie in Leiden is volgens [eiser] voor hem niet passend. Daarbij wijst [eiser] erop dat hij een verleden heeft als drugsdealer en dat hij in het verleden zelf ook drugs heeft gebruikt. In genoemde regionale opvanglocatie verblijven volgens [eiser] veel verslaafden (lees: ex-klanten) en daardoor is deze locatie mogelijk voor hem niet veilig. Bovendien bestaat er volgens [eiser] een risico dat hijzelf opnieuw verslaafd raakt aan verdovende middelen. Daarbij komt volgens [eiser] dat zijn twee honden in deze opvanglocatie niet welkom zijn.
3.5.
De Binnenvest voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
Beoordeeld moet worden of er aanleiding bestaat om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, waarin [eiser] is veroordeeld om [de woning 2] binnen veertien dagen te ontruimen, voor de duur van het hoger beroep dan wel voor een periode van zes maanden te schorsen.
4.2.
In het kader van die beoordeling stelt de voorzieningenrechter met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 [1] het volgende voorop. Aan de orde is een executiegeschil in de zin van artikel 438 Rv Pro. Uitgangspunt is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij van wie een vordering – zoals in deze zaak – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven het geschetste uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet, behoudens het geval dat sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag, in beginsel worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing.
4.3.
In het vonnis heeft de voorzieningenrechter – anders dan De Binnenvest in haar verweer primair heeft betoogd – geen gemotiveerd oordeel gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. In het vonnis heeft de voorzieningenrechter weliswaar in rov. 4.11 een belangenafweging toegepast, maar deze belangenafweging heeft uitsluitend betrekking op toewijzing van de vordering die strekt tot ontruiming van [de woning 2] . Gelet hierop, moet ervan uit worden gegaan dat in het kader van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. Deze afweging dient in het kader van deze kortgedingprocedure dan ook alsnog te worden gemaakt. Daarbij kunnen zowel feiten of omstandigheden van vóór als na de bestreden beslissing van belang zijn.
Geen sprake van een kennelijke misslag
4.4.
Van een kennelijke juridische of feitelijke misslag, die ertoe zou moeten leiden dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad moet worden geschorst, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis gemotiveerd waarom naar zijn oordeel sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van De Binnenvest bij de gevorderde ontruiming. Daarbij heeft de voorzieningenrechter gewicht toegekend aan het standpunt van De Binnenvest dat [eiser] als gevolg van de in die procedure gestelde opzegging van de opvangovereenkomst zonder recht of titel in [de woning 2] verblijft. De enkele omstandigheid dat [eiser] het niet eens is met dit oordeel, maakt niet reeds dat dit oordeel op een kennelijke juridische of feitelijke misslag berust. Hetzelfde geldt voor het oordeel van de voorzieningenrechter dat De Binnenvest de opvangovereenkomst op 29 september 2029 rechtsgeldig, dat wil zeggen: op deugdelijke gronden, heeft opgezegd. Ook dit oordeel is – anders dan [eiser] lijkt te betogen – inhoudelijk door de voorzieningenrechter gemotiveerd en die motivering is voorshands niet apert onnavolgbaar of onjuist. De voorzieningenrechter heeft bij zijn oordeel acht geslagen op de op 25 oktober 2024 naar aanleiding van dreigend en intimiderend gedrag van [eiser] door De Binnenvest gegeven waarschuwing en de eerdere opzegging van de opvangovereenkomst door De Binnenvest van 5 november 2024. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter bij dit oordeel betrokken dat De Binnenvest de opzegging van 5 november 2024 naar aanleiding van het gesprek van 7 februari 2025 heeft ingetrokken. In het vonnis heeft de voorzieningenrechter overwogen dat De Binnenvest [eiser] met die intrekking een tweede kans heeft gegeven. Die constatering berust op een interpretatie door de voorzieningenrechter van de feiten. De enkele omstandigheid dat [eiser] het met die interpretatie niet eens is, maakt niet dat moet worden geconcludeerd dat het vonnis op een juridische of feitelijke misslag berust. De voorzieningenrechter heeft verder in het vonnis overwogen dat uit overgelegde rapportages van De Binnenvest volgt dat [eiser] na voormeld gesprek zijn begeleiders wederom heeft geïntimideerd, uitgescholden en bedreigd en dat deze incidenten in combinatie met de op 18 juli 2025 verzonden brief, die naar het oordeel van de voorzieningenrechter als formele waarschuwing valt aan te merken, de conclusie rechtvaardigen dat De Binnenvest de opvangovereenkomst op terechte gronden heeft opgezegd, aangezien uit dit alles blijkt [eiser] zich onvoldoende begeleidbaar opstelt en zijn begeleiders intimideert. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er geen aanleiding is om de inhoud van die rapportages in twijfel te trekken. [eiser] beoogt kennelijk de inhoud van die rapportages in dit executie kort geding ter discussie te stellen, maar daarvoor leent deze procedure zich niet. Voor het voeren van die discussie is eerst plaats in het kader van de procedure in hoger beroep.
Belangenafweging/noodtoestand
4.5.
Zoals hiervoor overwogen, dienen in het kader van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de belangen van partijen in dit kort geding (alsnog) te worden gewogen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande situatie voor de duur van het hoger beroep niet op tegen het belang van De Binnenvest bij onverwijlde gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis. Het belang van De Binnenvest bij een onverwijlde tenuitvoerlegging is evident: zij dient te waken voor de veiligheid van haar medewerkers in de ambulante begeleidingszorg en die van de omwonenden van [eiser] op diens huidige opvanglocatie. Ook heeft zij er belang bij dat de huidige opvanglocatie van [eiser] zo spoedig mogelijk kan worden aangewend voor de opvang van een andere hulpbehoevende op de bestaande wachtlijst. Zoals De Binnenvest terecht heeft opgemerkt, zal [eiser] bij een onverwijlde tenuitvoerlegging van het vonnis niet dakloos worden en dreigt voor hem geen noodtoestand. [eiser] kan immers terecht bij de regionale intramurale opvanglocatie De Nieuwe Energie in Leiden en daar komt hij in aanmerking voor (voortgezette) behandeling en begeleiding. [eiser] heeft niet althans onvoldoende weersproken dat – zoals De Binnenvest heeft aangevoerd – de 24-uurs begeleiding die hem op deze intramurale opvanglocatie zal worden aangeboden beter aansluit bij zijn huidige zorgbehoefte dan de ambulante begeleiding die hij tot voor kort op zijn huidige lokale opvanglocatie ontving. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat De Binnenvest onweersproken heeft aangevoerd dat de behandeling van [eiser] door De Brijder in De Nieuwe Energie kan worden hervat. De mogelijkheid dat [eiser] in De Nieuwe Energie oog in oog zal komen te staan met ex-klanten uit zijn verleden als dealer, levert geen omstandigheid op die een belangenafweging in het voordeel van [eiser] doet uitvallen. De Binnenvest heeft onweersproken gesteld dat in De Nieuwe Energie beveiliging aanwezig is en om die reden dient er voorshands van uit te worden gegaan dat de veiligheid van [eiser] in De Nieuwe Energie voldoende gewaarborgd zal zijn. Het gestelde risico op een terugval in middelengebruik geldt evenmin als zo’n omstandigheid. Nog daargelaten dat [eiser] het bestaan van dit risico niet aannemelijk heeft gemaakt, geldt dat vanwege de aanwezigheid van 24-uurs begeleiding in De Nieuwe Energie mag worden aangenomen dat de kans klein is dat het gestelde risico zich daadwerkelijk zal verwezenlijken. De omstandigheid dat – naar niet ter discussie staat – [eiser] zijn twee honden niet naar De Nieuwe Energie kan meenemen, is vanzelfsprekend ingrijpend voor [eiser] , maar doet de belangenafweging tenslotte evenmin in zijn voordeel uitvallen. Niet valt in te zien op grond waarvan De Nieuwe Energie verplicht kan worden in te stemmen met de komst van deze twee honden. Dat op dat gebied enige toezegging door De Binnenvest en/of De Nieuwe Energie is gedaan, is volstrekt onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat ervan uit moet worden gegaan dat één van de honden van [eiser] recent bij een bijtincident betrokken is geweest, waardoor die hond überhaupt niet geschikt lijkt om in een tijdelijke lokale of regionale opvanglocatie te verblijven. [eiser] hoeft beide honden bovendien niet aan hun lot over te laten. Ook in het geval zich geen familielid of kennis bereid verklaart om zich (tijdelijk) over de beide honden te ontfermen, kunnen deze – zoals De Binnenvest terecht stelt – in een asiel worden opgevangen.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor schorsing van de in het vonnis uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vordering van [eiser] is daarmee niet toewijsbaar.
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Binnenvest worden begroot op:
- griffierecht € 735,--
- salaris advocaat € 1.177,--
- nakosten € 189,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,--

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het gevorderde af;
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,-- (te weten € 735,-- aan griffierecht en € 1.177,-- aan salaris advocaat en € 189,-- aan nakosten (plus na te melden verhoging), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de procesveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,-- extra betalen, plus de kosten van betekening.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
mw